We Are Here-neger doet Gods werk

24-11-2017 13:31

 

Sta je met je fiets voor een Amsterdams stoplicht, op weg om je brood te verdienen in de haven, stopt er een donkere fietser naast je die je toevoegt: “Jesus loves you.

“I know,” mompelde ik. Dom, natuurlijk. Relifanaten moet je altijd negeren.

Als ik ‘donkere fietser’ schrijf, bedoel ik niet iemand die lang in de zon heeft gezeten of, als we ‘donker’ figuurlijk opvatten, iemand met een somber karakter. Ik bedoel dat hij een van nature donkere huid had. Niet zo donker als Nutella, maar donkerder dan die laffe hazelnootpasta van Fair Trade. Ook had hij kroeshaar, een rond, vlezig gezicht en een ringbaardje. ‘A pussy mouth,’ zoals een Amerikaanse ex-vriendin het noemde. Hij sprak met een Afrikaans accent en was een – hoe luidt de politiek correcte term ook alweer? Nou ja, laat ik er maar niet omheen draaien en het gewoon zeggen zoals het was. Hij was een neger.

God bless you,” zei hij.

God bless you too,” antwoordde ik. Ging dat godverdomde kutlicht nog op groen? Ik ben een Nederlander, ik wilde hard werken.

God liet het licht op groen gaan en ik fietste langzaam weg in de hoop dat de godsdienstwaanzinnige neger mij voorbij zou rijden. Hard wegrijden komt zo hardvochtig over en zou misschien als racistisch uitgelegd kunnen worden. Ik wilde hem niet kwetsen. Had ik dat nou maar wel gedaan, want hij bleef naast mij fietsen en deed dat zo beroerd dat hij mij herhaaldelijk bijna de stoep op drukte.

“Jezus redt ons als we in hem geloven,” zei hij. (Ik vertaal de rest van het gesprek, want we spreken Nederlands in dit land en daar mogen we trots op zijn.) “Gelooft u in Jezus?”

“Jazeker,” zei ik, terwijl ik mijn snelheid opvoerde.

“Gaat u naar de kerk?”

“Soms,” loog ik. Ik ga nooit naar de kerk, wat moet ik daar in godsnaam doen?

De neger hield mij met gemak bij. “De katholieke kerk?”

“Protestants!” protesteerde ik. Ik vind alles best, maar hij moest niet denken dat ik een toffelemoon was. Er zijn grenzen.

“Ah, heel goed,” zei de neger. Er viel een zwijgen, maar niet voor lang. “We hoeven niet te werken voor rijkdom, want we worden beloond met rijkdom in de hemel.”

“Nou, ik moet gewoon werken voor mijn geld,” zei ik. “Ik ben een Dutchman.”

“Ik doe Gods werk,” zei de neger.

Ik keek opzij. Hij reed op een oude damesfiets. “Doet u nog ander werk behalve Gods werk?” vroeg ik.

“Momenteel niet,” zei hij.

“Maar waar leeft u dan van?”

“God zorgt voor mij.”

“Dat is heel mooi, maar hoe werkt dat? Ik bedoel, technisch gesproken.”

“God voorziet in al mijn behoeften, mij ontbreekt het aan niets.”

“Maar hoe komt u aan geld? Voor eten. Om te wonen.”

Het antwoord liet deze keer iets langer op zich wachten. “Ik ben bij een organisatie.”

“Zo, een organisatie,” zei ik. “Dat is mooi. En hoe heet die organisatie?”

We Are Here,” zei de neger.

We Are Here? Dat zijn toch die van God los geraakte, zich christenen noemende sentimentele kweeperen die hun door een verwende jeugd ontstane schuldgevoelens op de samenleving afwentelen door in andermans onroerend goed onderdak te bieden aan zich vluchteling noemende illegale land- en leeglopers die met de stalen neus van een laars tussen de billen over de grens geschopt zouden moeten worden?

“Waar komt u vandaan?”, vroeg ik.

“Nigeria,” zei de neger.

Nigeria! Het boevennest van Afrika! Ik krijg bijna dagelijks oplichtersmailtjes waarvan ik zeker weet dat ze uit dat strontvliegenland komen, zo dom en doorzichtig zijn ze.

“Bent u een vluchteling?”, vroeg ik.

“Ja,” zei de neger.

“Waar bent u dan voor gevlucht?”

It’s a lo… (onverstaanbaar, er stond veel wind) story.”

Is it a love story?”, vroeg ik.

It’s a long story.”

“Aha,” zei ik.

Plotseling moest de neger, die mij ongeveer een kilometer gevolgd had, dringend linksaf. “God bless you!

Gooi maar in m’n pet, dacht ik en ging op mijn trappers staan. Ha, lekker hard werken!