Achtergrond

Chris Aalberts – Forum voor Democratie heeft weinig geleerd van zijn voorgangers

16-06-2018 15:50

Forum voor Democratie (FvD) vindt zichzelf uniek maar is dat helemaal niet. Wie kent het volgende rijtje partijen nog: Leefbaar Nederland, LPF, ÉénNL, Partij voor Nederland, Trots op Nederland, Onafhankelijke Burgerpartij, Democratisch Politiek Keerpunt, Artikel 50, Voor Nederland, GeenPeil, Ondernemerspartij en Nieuwe Wegen? Deze partijen hebben of hadden grote overeenkomsten met FvD: allemaal populistisch, cultureel rechts, tegen immigratie, tegen de multiculturele samenleving, tegen de islam, tegen de EU en voor directe democratie. Ze hebben of hadden allemaal een zwak economisch profiel met wat linkse accenten.

Maar er is een veel belangrijkere overeenkomst: dit zijn allemaal partijen die om de politiek leider draaien. Die leider is de verpersoonlijking van de partij en zonder die leider stelt de partij nauwelijks iets voor. De leider ís de partij. Dat heeft een gevolg: al deze partijen kampen of kampten met grote organisatorische problemen. Het zijn allemaal geen blijvertjes. Vooralsnog sluit FvD vrijwel naadloos aan bij deze politieke traditie. Overigens is populistisch rechts hierin niet uniek: ook ouderenpartijen en islampartijen hebben last van deze problemen.

Partijen op populistisch-rechts hebben geen traditionele partijstructuur. Ze noemen zichzelf weliswaar ‘partijen’ maar dat zijn ze eigenlijk niet. Op basis van de ervaringen van de voorgangers van FvD schets ik tien lessen over rechtse partijen. Steeds bekijk ik of een les ook voor FvD opgaat. Vaak lijkt het er wel op.

Les 1: Nergens welkom zijn

Veel politici op rechts willen herkozen worden maar kunnen niet terugkomen op de lijst van de partij waar ze in het verleden voor actief waren. Daarom beginnen ze voor zichzelf. Hero Brinkman was definitief weg bij de PVV en begon voor zichzelf met de Onafhankelijke Burgerpartij. Later deed hij het met de Ondernemerspartij nog eens dunnetjes over. Uitgerangeerde politici komen we om deze reden vaak bij een eigen partij tegen: Rita Verdonk, Joram van Klaveren en Hilbrand Nawijn zijn voorbeelden. Ze waren alleen herkiesbaar door zelf een partij te starten.

Voor FvD geldt dit eigenlijk ook. Thierry Baudet was weliswaar in het verleden niet actief bij een andere partij, maar hij was in de praktijk ook nergens welkom. Ook niet bij de PVV, waar Wilders geen sterke persoonlijkheden naast zich duldt. Baudet moest wel voor zichzelf beginnen.

Les 2: Te laat beginnen

Rechtse partijen beginnen vaak te laat met het organiseren van zichzelf en de campagne, waardoor alles in de soep loopt. GeenPeil is een mooi voorbeeld, waar men pas vlak voor de deadline van de verkiezingen van 2017 besloot mee te doen. Er was geen tijd meer voor een goede lijst, geen tijd voor campagne en de lijsttrekker bleef grotendeels onbekend. Ook Hero Brinkman was een ster in alles te laat organiseren. Hij richtte vlak voor de verkiezingen partijen op zonder programma en zonder kandidaten. Zelfs de ondersteuningsverklaringen waren een probleem.

FvD past deels in dit patroon. De partij begon relatief laat maar haalde de kiesdrempel als een van de weinigen toch. Dat het achter de schermen een chaos was, is achteraf wel gebleken: kandidaten liepen op een later tijdstip alsnog weg. Je zou denken dat FvD dit probleem inmiddels te boven is gekomen, maar dat zal pas echt blijken als er geen gedoe ontstaat bij de deelname aan de provinciale statenverkiezingen. We moeten dit dus nog even afwachten.

Les 3: De leider is bepalend

Veel rechtse partijleiders willen vooral zelf de baas zijn en blijven. VNL-lijsttrekker Jan Roos wilde van alle oud-PVV’ers af die de partij hadden opgebouwd. Hen was vaak een plaats op de kandidatenlijst beloofd. Roos’ besluit leidde tot een uittocht van boze leden maar bevestigde zijn leiderschap.

Bij FvD geldt dit ook. Er was interne onrust over de partijdemocratie. Er is vanuit de partijleiding geen poging gedaan die onrust te bezweren. Er kwam geen gesprek met ontevreden leden maar de ruzie werd in het openbaar uitgevochten. Ook dit ging over mensen die de partij hadden helpen opbouwen. De uitkomst is ook bij FvD dat de leiding sterker in het zadel zit dan ooit tevoren.

Les 4: Financiën ondoorzichtig houden

Bij nieuwe partijen zijn de financiën vaak ondoorzichtig en een bron van roddel en achterklap. Zo wordt al jaren over de PVV gespeculeerd dat er Joodse financiers in de VS zitten. Of die donaties bestaan weet niemand. Stichtingen als Vrienden van de PVV zijn al even duister. Ook Trots op Nederland had veel donateurs uit het bedrijfsleven maar wie dat waren werd nooit duidelijk. Niemand kreeg er ooit inzicht in behalve de leiding zelf.

Bij FvD zien we dezelfde ondoorzichtigheid. De campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen op Facebook was imponerend maar gratis is dat niet. Velen vragen zich nog steeds af wie die rekening betaald heeft. Transparantie: ho maar.

Les 5: Kandidaten niet kritisch doorlichten

Bij veel rechtse partijen werden kandidaten niet kritisch doorgelicht voordat ze op de kandidatenlijst kwamen. Bij Trots op Nederland moesten er in zestig gemeenten kandidaten komen. Dat werd centraal geregeld want Verdonk vertrouwde haar eigen lokale vrijwilligers niet. Iedereen moest langs een vriendin van Verdonk die er geen verstand van had maar wel de beslissingen nam. Bij de PVV ging het zelfs bij de lijst voor de Tweede Kamer verkeerd. In 2010 haalde men ‘een zetel te veel’ want men wist niet wie de kandidaat op plaats 24 was. Steeds was het een voorbode voor ellende.

Bij FvD zien we dit patroon ook. Was Yernaz Ramautarsing nou echt geschikt als nummer twee van FvD in Amsterdam? Waarom is de nummer drie van de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer geen lid meer? Het duidt allemaal niet op een doordachte kandidatenselectie.

Les 6: Loyaliteit als voorwaarde

De belangrijkste voorwaarde om bij deze partijen op de kandidatenlijst te komen is loyaliteit aan de leider. Als je bij PVV-klasjes voor nieuwe Kamerleden Wilders bekritiseerde lag je er meteen uit. Andere mensen hoefden de klasjes niet te doen terwijl ze geen politieke kennis hadden en toch een hoge plaats op de kandidatenlijst kregen. Bij de PVV was Mellony van Hemert zo iemand: ze wist niks van politiek en loog over haar cv, maar ze kwam toch in de top van de kandidatenlijst terecht. Ze was  loyaal. Ook bij de LPF verzamelde Fortuyn vooral vrienden om zich heen.

En ook bij FvD bestaat de kandidatenlijst uit vertrouwelingen. Dat geldt voor de top van de lijst voor de Tweede Kamer, want daar staat het partijbestuur. Ook bij de gemeenteraad van Amsterdam zien we nauwelijks verrassingen. Yernaz Ramautarsing lijkt vooral op de lijst te hebben gestaan omdat hij vrienden is met Baudet. Dat bleek al snel geen goede reden.

Les 7: Programma opleggen

Bij rechtse partijen denken kandidaten en leden niet mee over het partijprogramma maar krijgen het opgelegd. Bij VNL bedacht het partijbestuur zelf wat het programma was. De leden mochten vooraf wel input geven, maar het was aan het partijbestuur of daar iets mee gebeurde. Amendeerbaar was het door hen geschreven programma niet. Dit kon alleen bij de gratie van het feit dat de leden de interne procedures niet kenden. Klagen leverde een royement op. Bij de PVV krijgen gemeenteraadsleden een lokaal irrelevant programma over de islam opgedrongen.

Bij FvD is hier geen sprake van wat het programma is formeel wel amendeerbaar door leden. Wel lijkt er sprake van procedurele drempels waardoor de kans op amendementen die een meerderheid halen klein is. Het bewustzijn van de interne reglementen is bovendien zeer laag.

Les 8: Geen mediaprofiel laten opbouwen

Kandidaten voor rechtse partijen mogen vaak geen eigen mediaprofiel opbouwen. Hen wordt afgeraden in de media op te treden, alle contacten moeten via voorlichting lopen en soms worden ze zelfs intern tegengewerkt om in de media te komen. Zo worden veel kandidaten en Kamerleden nooit bekend bij een groot publiek. Bij Trots op Nederland gold dit zelfs op lokaal niveau. Verdonk wilde niet dat de lokale kandidaten te vroeg in de publiciteit zouden komen. Alle aandacht moest naar Verdonk zelf gaan en zij wilde zelf de regie houden.

Bij FvD lijkt hier ook sprake van. Alle communicatie-inspanningen zijn gericht op de leiding. De rest van de kandidaten is met uitzondering van Theo Hiddema onzichtbaar. Bij de Amsterdamse campagne lag steeds de focus op Annabel Nanninga, niet op de stugge VVD’er Anton van Schijndel of de compleet onervaren Kevin Kreuger. Dat is nog steeds zo.

Les 9: Fracties in het land negeren

Als er eenmaal eigen fracties in het land zijn, negeren rechtse partijen die zoveel mogelijk. Trots op Nederland deed na de gemeenteraadsverkiezingen nooit meer iets met de eigen fracties, ondersteuning was er niet en samenwerking al helemaal niet. Verdonk had haar mediamoment van de verkiezingszege gehad. Vele afsplitsingen waren het gevolg. Bij de PVV gaat het al net zo. De enige echte eis aan lokale fracties is dat ze geen negatieve media-aandacht opleveren. Maar zelfs als dat wel gebeurt – de PVV in Den Haag is een berucht voorbeeld – wordt daar niets aan gedaan.

Bij FvD kunnen we dit nog niet goed zeggen omdat er maar één lokale fractie is. Annabel Nanninga moet sowieso oppassen voor de vergetelheid, maar dat heeft vooral te maken met de beperkte interesse bij het publiek in gemeentepolitiek.

Les 10: Vrijwilligers op afstand houden

En dan tot slot de vrijwilligers die de campagne moeten uitvoeren. De Ondernemerspartij had nooit veel vrijwilligers maar joeg ze ook in korte tijd weer de tent uit. De partij begon als ondernemersclub maar eindigde als een doublure van de PVV omdat dat electoraal meer mensen zou aanspreken. Maar dat wilden de ondernemers dan weer niet. Bij de PVV ging het net zo. Als men in de campagne vrijwilliger was geweest kreeg men na de verkiezingszege geen bedankje meer, zelfs niet als men ook kandidaat was geweest. Alle contacten werden meteen verbroken.

Bij FvD zien we dit patroon terug. De mensen die het partijkantoor aanvankelijk bestierden zijn weg en zijn ook niet prettig vertrokken. Provinciale netwerken zouden worden opgestart maar ze werden in de praktijk al snel weer opgedoekt. Wat vrijwilligers daarvan vonden maakte niet uit. Baudet zegt dat de structuur is veranderd, maar in de praktijk werden vrijwilligers gewoon weggejaagd.

Twee soorten partijen

De organisatie van rechts-populistische partijen verschilt al met al aanzienlijk ten opzichte van die van traditionele partijen zoals bijvoorbeeld de PvdA of GroenLinks. Die partijen kennen interne partijdemocratie. Het zijn verenigingen waar de leden het voor het zeggen hebben. De bestuurders zijn gekozen, leden doen mee aan discussies en die discussies leiden tot visievorming. Door het interne proces komt talent boven en die kunnen in lokale afdelingen aan de slag. Soms ook landelijk.

Hoe anders is dat bij FvD? Interne democratie is er niet of nauwelijks. Er is wel een vereniging maar die heeft in praktische zin geen leden, maar donateurs. Er zijn zelfbenoemde bestuurders en die kunnen naar eigen inzicht bepalen of ze iets met geluiden uit de achterban doen. De leden moeten vooral klappen voor wat de leiding bedenkt. Als er functies te verdelen zijn zoekt de top iemand uit die ze geschikt vinden, zoals bijvoorbeeld Annabel Nanninga. Leden worden niet geconsulteerd.

Voor- en nadelen

Nu is de vraag: is het erg dat FvD anders is dan andere partijen? Er zijn voordelen en nadelen. Het belangrijkste voordeel is duidelijkheid: de partij is op deze manier eenduidig georganiseerd, niemand twijfelt wie de leiding heeft en burgers weten wat ze krijgen. Het levert een heel helder beeld op voor buitenstaanders. Toch zijn de nadelen groter dan de voordelen. Dat zijn er minstens vijf.

Het eerste probleem is dat leden denken invloed te hebben maar dat in de praktijk juist niet hebben. Dat gebrek aan erkenning levert ruzie op en maakt dat goede mensen weglopen. PVV en Trots op Nederland hadden daar al last van. FvD heeft dat ook want Kamerkandidaten lopen bij bosjes weg. Of die kandidaten goede ideeën hebben maakt niet uit, het maakt uit of de leiding het met ze eens is.

Het tweede probleem is dat netwerken centraal staan en dat daarmee alles persoonlijk is. Als je iets niet mag zeggen, geen functie krijgt of ergens op aangesproken wordt, is dat persoonlijk. Er zijn immers geen transparante procedures. FvD gaat binnenkort allerlei vrijwilligers passeren voor de provincies. Die worden dan boos omdat het selectieproces als oneerlijk zal worden gezien. Terecht.

Het derde probleem is dat talent wordt weggegooid. Als je niet in het straatje van Baudet valt, mag je wel lid worden maar je krijgt nooit een rol van betekenis. Dat gebeurde ook elders: kandidaten en politici liepen bij LPF, PVV en andere partijen massaal weg en dat gaat straks ook bij FvD gebeuren. Goede mensen kunnen ook elders aan de slag, brekebenen blijven achter.

Het vierde probleem is dat inhoudelijke vernieuwing uitblijft. De visie van FvD is die van Baudet en dat is lekker voorspelbaar, maar de publieke opinie kan ook omslaan en daar kan FvD met deze rigide structuur niet op inspelen. De PVV is inmiddels een grijsgedraaide plaat, Trots op Nederland had nooit betere ideeën dan de VVD en zelfs de maniertjes van Baudet zullen het grote publiek vroeg of laat gaan vervelen.

Dat alles leidt ertoe dat deze partijen hun ambitie Nederland te veranderen niet kunnen waarmaken. Echte groei is niet mogelijk want men kan niet delegeren, er zijn te weinig goede mensen, er zijn te weinig goede ideeën en er is te weinig onderling vertrouwen. Zo verander je Nederland dus niet en dat zien we ook, want al deze partijen staan vrijwel altijd aan de kant. Dat lijkt ook het vooruitzicht voor FvD.

Dit is een verkorte versie van de lezing die ik hield bij Jongeren FvD op vrijdag 15 juni 2018 in Utrecht.

 
Helaas: deze aanbieding is verlopen, maar probeer deze boeken eens