Longread

Hoe een linkse gedachtenpolitie de Nederlandse journalistiek veroverde

01-03-2016 20:00

In september 1984 publiceerde weekblad Vrij Nederland het artikel De bestuurders van lijn zestien, een beroemd geworden reportage over Amsterdamse trambestuurders. Nog geen dag later plofte er aan de Raamgracht een brief in de bus van de werkgroep Media en Racisme waarin Elma Verhey en medeauteur Gerard van Westerloo werden beschuldigd van ‘het verspreiden van racistische propaganda’.

Wie waren de aanklagers destijds en wie gaf hen dat recht? Ruim dertig jaar later zocht Elma Verhey het uit.

 

“Als Amsterdammer zijnde kan ik niet begrijpen dat het allemaal zo scherp is geworden. Een bestuurder die nog naar kaartjes vraagt, die heeft de zwarte band karate. En iemand uit de tram zetten? Voor roken, patat en ijs zou het kunnen. Begin ik daaraan, dan hou ik niemand meer over. Of beschonken en lazerus in de tram, vrouwen lastig vallen. Denk ik: zal ik gaan? Vooruit dan maar, ik ga. Hé fascist, want het is een Turk. Kan ik er wat aan doen dat het een Turk is. Maar dan kom je gelijk op discriminatie. Daar gooien ze alles op en dat kan ik niet hebben. Het is een Turk, hij vreet knoflook en hij staat in mijn nek te wasemen. Ik zeg ouwe, ga effe achterin zitten, je stinkt. Gelijk discriminatie. Flauwekul. Had er een dronken kerel gestaan, had ik het ook gezegd. Alles wat jij globaal zegt vinden zij discriminatie. Het beste is gewoon blijven rijden, doorrijden, verstand op nul, schermpie voor, dan heb je het minste last.” 

(Uit: De bestuurders van Lijn Zestien, VN, 29 september 1984)

 

‘Media en Racisme’

Op een koude donderdagochtend dik dertig jaar geleden komen zo’n honderdvijfentwintig journalisten bij elkaar te Hilversum, in de Grote Marconizaal van de NOS op het Mediapark. Van VARA tot TROS, van De Waarheid tot De Telegraaf en van Elsevier tot Vrij Nederland; letterlijk geen krant, weekblad, radio- of  tv-programma ontbreekt op deze gedenkwaardige 5 april 1984. Op de agenda staat maar één onderwerp: ‘Media en Racisme’.

Henk Biersteker, destijds hét gezicht van actualiteitenrubriek Kenmerk (IKON), opent de vergadering. Kenmerk heeft een reputatie als het gaat om ‘betrokken journalistiek’. In 1982 zijn vier redacteuren vermoord tijdens hun werk in El Salvador, waaronder de bevlogen ex-predikant Koos Koster.

Biersteker is verheugd over de enorme opkomst en benadrukt het belang van de bijeenkomst waarna hij het woord geeft aan Dick Houwaart, directeur voorlichting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, tevens voorzitter van de Anne Frank-stichting. Houwaart trekt de parallel met de Tweede Wereldoorlog. “Toen waren het Joden, nu dreigen Turken, Marokkanen en Surinamers slachtoffer van het fascisme te worden. Hoogste tijd dat de journalistiek haar verantwoordelijkheid neemt.”

‘Zo is het stigmatiserend te schrijven dat ‘Turkse’ drugsdealers Amsterdam onveilig maken of dat ‘Marokkaanse’ hangjongeren het hebben gemunt op homo’s en Joden’

Aan de hand van een ronde tafelgesprek krijgt de zaal uitgelegd voor “welke problemen en dilemma’s je komt te staan, waarop je moet letten; welke fouten maak je wellicht?”
Er volgt een stichtende film over de manier waarop (sommige) collega’s van de BBC met de gevoelige materie omgaan. Die laten boze Britten aan het woord die zich beklagen over de “teringzooi” in hun straat “met al die Pakistanen die nauwelijks weten wat een wc is”.
Zo moet het dus niet!

Aanduidingen van ras zijn stigmatiserend

Om 16:30 uur wordt de bijeenkomst afgesloten met “het formuleren van een aantal aanbevelingen”.
Zo is het stigmatiserend te schrijven dat ‘Turkse’ drugsdealers Amsterdam onveilig maken of dat ‘Marokkaanse’ hangjongeren het hebben gemunt op homo’s en Joden. Aanduidingen van ras, godsdienst, of geboorteland moeten worden vermeden. Generaliserende uitspraken die er over minderheden worden gedaan, kunnen ook beter niet worden afgedrukt. Het verdient tevens aanbeveling om de positieve kant van de komst van migranten te belichten.

Of de aanbevelingen met louter instemming zijn ontvangen, is twijfelachtig. De ‘aanbevelingen’ waren weliswaar door de zaal geaccepteerd, maar Aukje Holtrop (Vrij Nederland) zou later honend schrijven dat “de rechten van de blanke journalist heilig zijn.”
De Werkgroep Media en Racisme moet het volgens haar “vooral niet in het hoofd halen er ál te veel van te verwachten”. (Nederlands Racisme, Anet Bleich, Peter Schumacher e.a., Amsterdam 1984)

‘Aan de wieg van de werkgroep Media en Racisme staat Felix Rottenberg, destijds voorzitter van de Jonge Socialisten’

De initiatiefnemers hebben een veel verdergaande ‘aanbeveling’ op zak. De Werkgroep Media en Racisme (zijzelf dus) krijgt tevens als taak het “signaleren van discriminerende, dan wel tendentieuze journalistieke producten in de Nederlandse media als het onderwerpen betreft die te maken hebben met allochtonen en rassendiscriminatie.”
Bij constatering van deze overtreding gaat de Werkgroep “de auteur(s) of maker(s) van de gesignaleerde producten benaderen en in een gesprek wijzen op de schadelijke effecten (versterken van bestaande vooroordelen) en vragen naar de achtergronden en motieven die een rol hebben gespeeld bij het maken van het betreffende journalistieke product.”
De Werkgroep wil kortom voor mediapolitie gaan spelen. (IISG, archief Werkgroep Migranten en Media)

Felix Rottenberg

Wie zijn de oprichters van deze Werkgroep Media en Racisme? En wat is hun achtergrond? Aan de wieg staat Felix Rottenberg, destijds directeur van De Populier en voorzitter van de Jonge Socialisten (PvdA). De Populier, voorloper van debatcentrum De Balie, is geesteskind van priester-dichter Huub Oosterhuis die later ook De Rode Hoed zou oprichten en nog niet zo lang geleden De Nieuwe Liefde, waar nog altijd debatten worden gehouden zoals die in de Populier. Zoals: ‘Gewetensvragen: kies ik een zwarte of een witte school voor mijn kind?’

Nummer twee is theologiestudent Joost Divendal, de latere hoofdredacteur van De Journalist, het huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ). Divendal is net als Rottenberg ook aan De Populier verbonden.
Dritte im Bunde is journalist/fotograaf Peter Schumacher, redacteur van NRC Handelsblad. “Ik was eigenlijk veel te links voor de NRC”, zou hij later zeggen.

The Code of Journalism

Begin 1983, op een vakbondscongres in Engeland, vernemen Rottenberg en Schumacher van journalistieke regels die The Black Workers van de Britse journalistenvakbond hebben opgesteld: ‘The Code of Journalism’.
Het extreemrechtse British National Front, dat pleit voor een stop op niet-witte immigratie en het repatriëren van alle gekleurde immigranten, moet worden geboycot. Maar nog belangrijker: de journalistiek mag geen voedsel geven aan hun gedachtegoed. Dit kan het beste door “nooit iemands zogenaamde ras te vermelden”.

‘Iedereen die zich ergert aan boerka’s of hoofddoekjes in het openbare leven ziet zijn eigen opvattingen kennelijk als superieur en is daarmee per definitie een racist’

Nationaliteit, geloof, naam of geboorteland zijn taboe tenzij zonder die informatie het artikel niet te begrijpen valt. En “racistische uitspraken” die geïnterviewde doen, kunnen slechts worden gepubliceerd met daarbij de uitdrukkelijk waarschuwing dat het hier “om een niet algemeen aanvaarde opinie gaat, die als legitiem zou kunnen worden opgevat”.
Collega’s die zich niet aan de regels houden worden door een media-politie beboet danwel uit de vakbond gegooid. De media-politie die men ook in Nederland zo graag ingevoerd ziet, is kortom een Britse uitvinding.

Het ‘nieuwe’ racisme, uitgevonden door een marxistische filosoof

Rottenberg en Schumacher zijn niet toevallig naar het Britse congres afgereisd. Net als Frankrijk en Groot-Brittannië is ook Nederland in de ban van racisme. Beter gezegd: van het nieuwe racisme. Vlak na de grote bijeenkomst in Hilversum komt onder redactie van Schumacher en anderen het al eerder genoemde boek Nederlands racisme uit. Karin Spaink mag daarin het gedachtegoed van de Britse marxistische filosoof Martin Barker vertalen, de uitvinder van het ‘nieuwe racisme’.

Dat is niet langer gebaseerd op ras, zoals de (racistische) opvatting dat bijvoorbeeld negers lui zouden zijn of Chinezen in het algemeen onbetrouwbaar. Nee, het nieuwe racisme zoals beleden door de aanhangers van Barker is gebaseerd op religie en/of cultuur. Iedereen die zich ergert aan boerka’s of hoofddoekjes in het openbare leven, die tegen ritueel slachten is, vrouwenbesnijdenis niet tolereert of zich verzet tegen homohatende moslims, ziet zijn/haar eigen opvattingen (cultuur/religie) kennelijk als beter/superieur, en is daarmee per definitie een racist.

Wat je ook van die theorie vindt: het aantal ‘racisten’ in Nederland wordt er behoorlijk door opgekrikt.

Hans Janmaat

In 1980 is de Centrumpartij opgericht met als politiek leider Hans Janmaat. Met leuzen als ‘niet-rechts, niet links’, ‘Nederland is overvol’, en protesten tegen ‘positieve discriminatie’ (immigranten krijgen bijvoorbeeld voorrang bij banen in het openbaar vervoer in Amsterdam) probeert de partij aanhang te verwerven.

Als in 1983 de CP in Almere twee raadszetels wint, wordt de ‘racistische golf’ die Nederland zou overspoelen tot feit verklaard, met als symbool de dood van de 15-jarige Antilliaan Kerwin Duijnmeijer. Duijnmeijer is in augustus 1983 tijdens een avondje stappen neergestoken door de 16-jarige Nico Bodemeijer. Bodemeijer, skinhead, en beslist geen lieverdje, zou tijdens de vechtpartij “vuile nikker” hebben geroepen. De vraag of het werkelijk om een racistische moord gaat (Bodemeijer ontkent en ook de rechter die hem destijds veroordeelde ziet het als dronken uitgaansgeweld) doet niet meer ter zake. Nederland heeft zijn eigen racistische moord. Frank Boeijen schrijft er een lied over (Zwart Wit) en er komt een standbeeld in het Vondelpark, waar de antiracistische beweging nog jaarlijks een herdenking houdt.

‘Racisme neemt hand over hand toe, schuld van journalisten’

Rottenberg en Schumacher, nét terug van het congres in Engeland, besluiten over te gaan tot actie. Een geselecteerd gezelschap journalisten waaronder Max van Weezel (Vrij Nederland), Aukje Holtrop (Vrij Nederland), Aad van den Heuvel (televisiemaker KRO), John Jansen van Galen (De Haagse Post), Noortje van Oostveen (nieuwslezeres NOS Journaal) en Anet Bleich (De Groene Amsterdammer) worden uitgenodigd voor een informele brainstorm. Ze krijgen de vraag voorgelegd of het geen idee zou zijn om naar voorbeeld van de Britse collega’s een mediapolitie in te voeren. Het racisme neemt namelijk hand over hand toe en journalisten spelen daarbij een belangrijke rol want er wordt, vinden Rottenberg en Schumacher, veel te negatief over de nieuwkomers geschreven.

‘Elke zichzelf respecterende studentenstad blijkt in die tijd over een Antifascistisch Front te beschikken’

Hoe enthousiast er is gereageerd valt – dertig jaar later – niet meer na te gaan. Max van Weezel, Anet Bleich, Aukje Holtrop; ze schrikken zich een hoedje als ik hen er naar vraag. Ja, ze zijn wel eens op een bijeenkomst geweest waarin de rol van de media bij het ontstaan van vooroordelen is besproken. Maar mediapolitie? Daar zouden zij beslist tegen zijn geweest!

‘Geïnfecteerd met een racismebacil’

Zeker is dat John Jansen van Galen zich vanaf dag één verzet. Er bestaat toch ook geen ‘Werkgroep Media en Medici’ of ‘Media en Meiden’? Journalistieke codes zoals die van hoor en wederhoor gelden voor iedereen – ongeacht afkomst of religie, net als privacyregels. Een Turk, Marokkaan of Surinamer die vindt dat hij door een journalist onheus is behandeld, stapt maar naar de Raad voor de Journalistiek of desnoods naar de rechter, foetert Jansen van Galen.

Hij staat niet in zijn eentje. Jan Tromp, destijds politiek redacteur van de Volkskrant, is ook mordicus tegen de codes danwel ‘aanbevelingen’ van de Werkgroep Media en Racisme, net als freelance journalist Herman Vuijsje. Hij windt zich op over de “miljoenen en miljoenen guldens” die de overheid investeert om het volk ervan te doordringen dat het zou zijn “geïnfecteerd met een racismebacil” (NRC, 27 juni, 1988).

Vooral het ministerie van WVC (Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) geeft daar veel geld aan uit.

 

“Moesten we naar een cursus, krijgen we een filmpje te zien. Komen vijf passagiers binnen, ik als bestuurder pak er een tussenuit en ik vraag hem zijn kaartje – laat het nou een Turk wezen. Dat mag ik dus niet meer doen. Ben ik nou gek, of zijn zij het? Ik vraag nooit iemand naar zijn kaartje en zeker geen Turk, want dan heb ik gelijk discriminatie aan mijn reet, en dat kost me mijn baantje, dus ik kijk wel uit.

“Ik werk er nu vier jaar en ik begin te denken, barst maar. Ik wil mijn werk goed doen, zo fatsoenlijk mogelijk mensen van het station naar het station brengen en omgekeerd, als het kan zonder brokken. Ik ben iemand, ik rem nog voor duiven. En dan komt als klap op de vuurpijl Ed van Thijn [toenmalige burgemeester van Amsterdam] vertellen dat elke ambtenaar die discrimineert ontslagen wordt. Dat kan ik niet zetten. Er is geen een trambestuurder die zegt, ‘hé nikker, jij komt er niet in’.” 

(Uit: De bestuurders van lijn zestien, VN, 29 september 1984)

 

Goedgekeurd door de NVJ

Adhesie van de gepolste collega’s of niet: men zet de plannen door. De Werkgroep in oprichting heeft zich inmiddels verzekerd van de steun van Hans Verploeg, secretaris van de NVJ, de Nederlandse Vereniging van Journalisten. De NVJ maakt ook de grote bijeenkomst in Hilversum financieel mogelijk. En Verploeg zal de Werkgroep door dik en dun steunen, ook als er twijfels rijzen vanuit het NVJ-bestuur.

Het stempel ‘goedgekeurd door de NVJ’ is natuurlijk van levensbelang. Het geeft de Werkgroep aanzien en gezag. Nog maar weinigen zullen zich in de jaren die volgen afvragen waar de ‘macht’ van de Werkgroep eigenlijk op is gebaseerd en wie bijvoorbeeld de leden benoemt. Die worden namelijk niet benoemd, die worden door de Werkgroep zelf ‘aangesteld’. Ook de ‘taak’ die men heeft, bepaalt men zelf. Zodat de ‘aanbeveling’ voor het invoeren van een mediapolitie, die op de grote vergadering in Hilversum maar liever niet aan de zaal wordt voorgelegd, alsnog zal worden ingevoerd.

‘Racistische propaganda’

“Zo ver als in Engeland wilden wij niet gaan”, zei Schumacher, terugblikkend (in: Van Janmaat tot Jahjah, 20 jaar Migranten en Media, 2004, eigen gedenkboek). Een mediapolitie heeft hem en zijn kompanen beslist nooit voor ogen gestaan. Maar dat zei hij in  2004, twintig jaar later. De gedroomde multiculturele samenleving ligt dan reeds aan diggelen en de media worden voluit beschuldigd van wegkijkgedrag.

‘Hoe kunnen we deze fascistische, racistische trambestuurders zó ongegeneerd aan het woord laten?  Weten we dan niet dat het hier louter foute mannen betreft?’

Zoveel is zeker: nog geen half jaar na de bijeenkomst in Hilversum wordt er bij Vrij Nederland een brief van de Werkgroep bezorgd waarin mijn collega Gerard van Westerloo en ik ter verantwoording worden geroepen. Vanwege onze reportage over Amsterdamse trambestuurders worden wij beschuldigd van “het verspreiden van racistische propaganda”.
(Niet spreken met de bestuurder, Gerard van Westerloo, 2003, pag 65-69. Zie voor de gewraakte teksten de opgenomen citaten uit: De bestuurders van Lijn Zestien, VN, 29 september 1984)

Verbijsterd zijn Van Westerloo en ik. Wat denken die lui van de ‘Werkgroep’ eigenlijk en waar halen ze het lef vandaan? Dat mijn eigen collega’s daarbij betrokken zijn (Max van Weezel en Aukje Holtrop) wist ik niet en zelf houden zij hun mond.

Nog herinner ik me hoe wij met stoom uit onze oren naar Nieuwe Herengracht 93 fietsten, het pand waar De Populier huisde. Daar zouden we in eerste instantie een gesprek hebben met Schumacher. Maar Schumacher kwam niet opdagen – hij was de afspraak vergeten, iets wat ik tot op de dag van vandaag waag te betwijfelen.

‘Antifascistisch Nederland’

Enige weken later, tijdens een tumultueuze bijeenkomst georganiseerd door politicologen van de UvA, krijgen we heel ‘antifascistisch’ Nederland over ons heen. Door een schuimbekkende menigte studenten inclusief docenten worden we voor rotte vis uitgemaakt. Hoe kunnen we deze fascistische, racistische trambestuurders zó ongegeneerd aan het woord laten! Weten we dan niet dat het hier louter foute mannen betreft? Halverwege de scheldpartij hebben we de bijeenkomst verlaten.

Met iets meer oplettendheid hadden we deze ‘discussie’ kunnen verwachten. Naast de Werkgroep Media en Racisme heeft ook het Anti-Fascistisch Front Amsterdam zich aan de Raamgracht gemeld. Sinds onze publicatie wordt hun meldkamer “overstelpt” met klachten. Uit de kasboeken waarin de binnengekomen telefoontjes destijds worden opgetekend, blijkt overigens het tegendeel. (IISG, Archief Anti-Fascistisch Front Amsterdam, Meldkamer)

Doorgaans zit het Meldkamer-team uren duimen zit te draaien, dan wel staat men eenzame lieden of verwarden te woord. Men moet dus dólgelukkig zijn geweest met eindelijk een (serieuze) klacht. Zelf hebben ze het hele artikel trouwens niet opgemerkt. (“Kan iemand het nog ergens op de kop tikken?”)

‘Fascisme legitimeert geweld vinden de antifascisten en dus zijn stokken, stenen, brandbommen enzovoorts toegestaan’

Vrouwenbond en Vrouwenvakbond

Elke zichzelf respecterende studentenstad zoals Nijmegen, Tilburg, Utrecht en Groningen blijkt in die tijd over een Antifascistisch Front te beschikken. Als die collega’s van het laakbare Vrij Nederland-artikel vernemen, wordt van alle kanten hulp aangeboden. Moeten zij misschien ook klachten indienen? Dat lijkt Amsterdam overbodig maar ‘steun’ op de bijeenkomst waar Verhey en Van Westerloo onder vuur worden genomen, is natuurlijk fijn.

Advocate Mieke Vosman meldt zich met het aanbod om uit te uitzoeken of er een rechtszaak tegen Verhey en Van Westerloo kan worden gevoerd. En zowel de Vrouwenbond als de Vrouwenvakbond laten de Meldkamer bij wijze van adhesie weten dat men een klacht voorbereidt bij de Raad voor de Journalistiek. Die klacht is er bij mijn weten nooit gekomen en een rechtszaak bood kennelijk ook geen soelaas.

Legitimiteit van de Werkgroep

Van Westerloo en ik vragen Werkgroep-lid Verploeg, tevens secretaris van de NVJ, naar de legitimiteit van de Werkgroep. Wie heeft hen aangesteld en namens wie spreken zij? Weken later krijgen we als nietszeggend antwoord dat “de werkgroep beslist niet een door de NVJ ingesteld instituut is” en dat hij, Verploeg, “misschien maar beter uit de Werkgroep kan stappen vanwege de dreigende verwarring”.
Mijn lidmaatschap van de NVJ had ik toen allang opgezegd.

 

“Het komt hierop aan, denk ik. Als ik naast de pot pis krijg ik een schorsing. Maar aan wat je passagiers doen heeft het bedrijf maling. Zakkenrollers in de tram? Ik mag er niet eens meer voor waarschuwen. Vandalen? Nou en? Laatst weer een oude vrouw gerold. Iedereen ziet het, niemand zegt iets. Ik sta alleen en kan niets doen. Pas als ik een getuige heb, mag ik de politie oproepen. Dat krop ik dus maar op. Meestal zijn ze bruin, ze hebben van die plastic tasjes bij zich en daarmee zwaaien ze naar ons. Ik kan het niet helpen. De bruinen worden er op aangekeken, maar ze zijn het ook die het doen. [Vertelt over aanval met mes]. Pakken ze er een, mag hij even mee naar het bureau om een formulier in te vullen en dan weer naar buiten. Als ik me twee keer verslapen heb, moet ik bij de chef komen. Ik kan niks en ik mag niks. Dus ik probeer er maar niet meer naar te kijken, minder op te letten. Het raakt ook zo gewoon. Maar het vreet wel aan me. En nou kom ik op de gedachte, vroeger wist je niet eens dat die gedachte bestond. Waarom doe ik het nog? Eigenlijk ben je gek, dat je nog vroeg opstaat en naar je werk gaat. Met een uitkering en klussen verdien je meer”.  

“Wat voor iemand viel u aan?”, vragen wij

“Ik vraag iedereen om zijn sigaret uit te doen. Kijk mij er niet op aan”.

“Waarop?”

“Dat het een Surinamer was. Straks kost het me mijn baan als ik zeg dat het een Surinamer was”.

“Dat meent u niet.”

“Je hoort het niet te zeggen.”

(Uit: De bestuurders van Lijn Zestien, VN, 29 september 1984)

 

Hans Verploeg heeft het lidmaatschap van de mediapolitie nooit opgegeven. Als staatssecretaris Erica Terpstra in 1994 de bijl aan de wortel van de organisatie probeert te zetten, zal Verploeg dat met behulp van een stevige lobby in de Tweede Kamer weten te voorkomen. En kritische journalisten van bijvoorbeeld de Haagse Post laat staan de Telegraaf heeft hij niet gevraagd om in de Werkgroep plaats te nemen. Liever omringt men zich met de fine fleur van antifascistisch Nederland.

Antifascismegroepen en de brand in Kedichem

Maar liefst vier van de dertien leden zijn daar in de beginjaren uit afkomstig. Zo nestelt Bart Top zich in de Werkgroep, die het in latere jaren tot (betaalde) coördinator zal schoppen. Wat journalistieke achtergrond betreft geeft hij het blad AFdruk op, de Nieuwsbrief voor Antifascismegroepen. AFdruk is beslist geen kinderachtig blaadje. Antifascistische groepen uit heel Nederland mogen daarin verslag doen van hun ‘strijd’ tegen de vijand, de Centrumpartij. Fascisme legitimeert geweld vinden de antifascisten en dus zijn stokken, stenen, brandbommen enzovoorts toegestaan. “Doel van de actie was niet een aantal CP-ers aan gort te slaan, de stokken en bivakmutsen werden meegenomen om de CP-ers de lust en de mogelijkheid voor een tegenactie te ontnemen”, aldus een verslag van een actie te Nijmegen (Nederlands Racisme, pag 150).
Treurig ‘hoogtepunt’ wordt de brand van Kedichem (1986), waardoor de secretaresse en latere echtgenote van partijleider Janmaat blijvend invalide raakt.

Ook ene Jorge Cuartas geeft AFdruk op als journalistieke achtergrond, net als Hans Buis. Hans Buis is tevens medewerker van de Anne Frank-stichting net als Vera Ebels, tevens werkzaam voor de Waarheid, het huisorgaan van de Communistische Partij Nederland. De Anne Frank-stichting vormt in die jaren hét bolwerk van de strijd tegen racisme en fascisme. Het wemelt er van de (jonge) CPN’ers.

‘Cryptocommunistische organisatie’

Ad Ploeg, staatssecretaris voor de VVD, noemt de Anne Frank-stichting zelfs een “cryptocommunistische organisatie”. Het antisemitisme in het Oostblok zou de Stichting worst zijn, terwijl hardwerkend Nederland om het minste of geringste van racisme wordt beschuldigd, zoals bijvoorbeeld wanneer men zich beklaagt over thuisslacht door de Turkse buren. “Je hebt balkonnetjes waar het bloed vanaf sijpelt”.
(De Anne Frankstichting en haar lessen uit de Tweede Wereldoorlog 1957-1994, Eva Rensman, 1995).

Op De Telegraaf na – maar dat maakte Ploeg zo mogelijk nog méér verdacht – valt heel Nederland over hem heen. Niet alleen de journalistiek, maar ook vakbonden, kerkgenootschappen, politieke partijen; allemaal scharen ze zich om de belaagde Anne Frank-stichting. Minister-president Ruud Lubbers (CDA) brengt zelfs een ‘verzoeningsbezoek’ aan de Prinsengracht. Het laat zien hoe diep geworteld het politiek-correcte denken is.

Morele waakhonden

In latere jaren komt er overigens steeds meer twijfel aan de “morele waakhonden” van de Prinsengracht, die “voor elk fascistisch probleempje worden geraadpleegd.”
Met een niet aflatende stroom “meninkjes, rapportjes en tentoonstellinkjes als gevolg”, schreef Propria Cures. De (geschrokken) leiding van de Anne Frank-stichting zou na de affaire Ploeg overigens schielijk afstand nemen van het doorgeslagen links-radicalisme.
(Het Anne Frankhuis, een biografie, Jos van der Lans en Herman Vuijsje, Amsterdam 2010)

 

triomfmulticultisamenleving

Cover van De Groene Amsterdammer, 1996.

 

Tot mijn verrassing blijkt het NVJ-bestuur allesbehalve blij te zijn geweest met de actie tegen Van Westerloo en mij. (Van Janmaat tot Jahjah, pag 11). Kennelijk moest dat destijds onder de pet worden gehouden. Ik herinner me althans hoe verbaasd ik was dat ik zelfs nooit een reactie heb gekregen op de brief waarin ik mijn lidmaatschap heb opgezegd.

‘Media en Migranten’

De irritatie bij het NVJ-bestuur leidt er zelfs toe dat de werkzaamheden een aantal jaren op een laag pitje worden gezet. Maar in 1987 wordt de Werkgroep ‘heropgericht’. Schumacher en Verploeg willen zich gaan richten op een van de andere actiepunten die men van de Engelse Black Workers heeft overgenomen: er moeten meer zwarte journalisten komen. Het zorgt voor de instroom van niet-witte Werkgroep-leden zoals Archie Sumter, Rudie Kross, maar ook Chazia Mourali en (dan nog journalist) Ahmed Aboutaleb.

‘Zo staat er in het beleidsplan dat ‘autochtonen’ met hun ‘superioriteits-denken’ geleerd moet worden zich aan te passen’

Men besluit ook over te gaan tot naamsverandering. De werkgroep gaat voortaan onder de vlag ‘Media en Migranten’ door het leven. ‘Media en Racisme’ klinkt te politiek, wat tevens een handicap is bij het aanboren van subsidie. In het “beleidsplan voor het jaar 1989”, van niemand minder dan de (toen nog onbekende) trendwatcher Adjiedj Bakas, staat dat het onderwerp migranten “goed in de markt ligt”. Mits er een “goed plan op tafel ligt” waarin de organisatie “goed wordt gepresenteerd c.q. ‘verkocht’, is het verkrijgen van subsidie niet al te moeilijk.”

Autochtonen en hun ‘superioriteitsdenken’

Ideologisch verandert er overigens weinig. Zo staat er in hetzelfde beleidsplan dat “autochtonen” met hun “superioriteitsdenken” geleerd moet worden zich aan te passen. “Hoezeer allochtonen zich, met behoud van eigen identiteit, al aanpassen hoeft geen betoog.”
Ook de mediapolitie blijft actief. Daar gaat zelfs de meeste belangstelling van de vernieuwde Werkgroep naar uit. “Voor alle duidelijkheid het gaat NIET om censuur of een veroordeling.”
(De Journalist, 21-12-1987).

‘Irritant vermanend vingertje’

In 1989 verschijnt Slip of the Pen – Geen racisme in de media, met veel do’s en dont’s. “Punt 3: Migranten hebben relevante meningen als het over henzelf gaat – maar ook als het niet uitsluitend over hun specifieke positie binnen de Nederlandse samenleving gaat. Iedere vorm van paternalisme dient vermeden te worden”.
Er worden voorbeelden gegeven van “foute berichtgeving”, zoals het Algemeen Dagblad dat heeft bericht over een “Griekse restauranthouder” die veroordeeld is wegens ongewenste intimiteiten en het ANP dat als kop boven het bericht over een moordpartij zette: “Joegoslaaf bekent landgenoot te hebben vermoord”.
De Volkskrant krijgt de wind van voren omdat men bij een artikel over de voorgenomen afschaffing van het onderwijs in de eigen taal en cultuur (dat kregen migrantenkinderen destijds) geen voorstanders aan het woord zou hebben gelaten.

Zelfs De Journalist, huisblad van de NVJ, en doorgaans welwillend tegenover de Werkgroep, ergert zich groen aan het “irritant vermanende vingertje”.
Het geduld van het NVJ-bestuur is op. Men wil de Werkgroep loskoppelen van de vakbond. Als Verploeg zo nodig als mediapolitie willen optreden, dan níet namens de NVJ. Schumacher, die wel begrijpt dat de bodem daarmee uit de Werkgroep valt, dreigt met opstappen (brief 31 augustus 1989 aan Hans Verploeg). De rest van de Werkgroep steunt hem, waarna de NVJ overstag gaat.

Nederland moreel gidsland

Toch wordt Slip of the Pen een groot succes. De ‘gevestigde’ journalistiek zal de folder achteloos dan wel hoofdschuddend in de prullenbak hebben geworpen, maar hele generaties journalisten zijn er mee opgevoed. Begin 1993 verschijnt er zelfs een vernieuwde versie, Tussen Missie en Misser, waarin journalistiek Nederland tot op de zin nauwkeurig voorgehouden krijgt wat wél en wat níet is toegestaan. “Punt 6: Vermijd uitsluiting van bepaalde bevolkingsgroepen. Bijvoorbeeld: ‘Minderheden moeten zich in ons land aanpassen’, is een zin die automatisch Nederland voorstelt als een land dat slechts behoort aan de autochtone Nederlander. Als de vraag gesteld wordt: ‘Wat vinden buurtbewoners van de minderheden?’, is de achterliggende gedachte kennelijk dat migranten géén buurtbewoners zijn.”
Er volgt zelfs een Engelse en een Duitse vertaling: Balance and Blunder en Zwischen Mission und Malheur. De Werkgroep wil haar werkterrein naar Finland, België, Spanje en Italië uitbreiden. “Groot-Brittannië functioneerde oorspronkelijk als voorbeeld”, maar inmiddels was Nederland “gidsland”, memoreert Hans Verploeg jaren later.

Gouden jaren, dankzij subsidie

Wat is de oorzaak van zoveel nieuw elan? Follow the money. Zoals trendwatcher Bakas al heeft voorspeld, ligt het onderwerp ‘migranten’ goed in de markt. In juni 1989 gaat het ministerie van VWS akkoord met de subsidieaanvraag voor het aanstellen van een ‘coördinator’. Onder de noemer ‘de benarde positie van de migranten in de media’ weet men een heuse betaalde kracht in de wacht te slepen (De Journalist, 26-6-1989). “Gouden jaren” zouden er aanbreken. Op het kantoor van de NVJ wordt haastig een kamertje vrijgemaakt.

Met behulp van honderdduizenden guldens subsidie produceert de Werkgroep de ene na de andere brochure met titels als Journalistiek in de Multiculturele Samenleving, Mediabeleving van allochtonen in Nederland, Media en Allochtonen, Ongekleurd Nieuws bestaat niet, Waar blijft de allochtone journalist?, Beter een bericht in de krant…dan tien in de prullenmand (tips voor allochtone organisaties om tot kranten door te dringen). Alleen al in 1991 gaat het om acht publicaties .

‘European Handbook for Journalists Unions To counter Racisme in the Media’

Er verschijnt de Mikrant, er wordt met behulp van de zogenaamde Anti Discriminatie Bureaus onderzoek gedaan naar de bereidheid van kranten om klachten over discriminatie over te nemen: De buitenlandse sluipmoordenaar. De publicaties gaan gepaard met symposia, waarna publicaties met de notulen van de symposia volgen. Er worden workshops gegeven hoe om te gaan met allochtonen, cursussen over de islam, voorlichting over hoe vrouwelijke migranten te benaderen – wat al niet meer.

De internationale ambitie zorgt voor Engelse vertalingen. De van oorsprong Engelse ‘Internationale Werkgroep Media tegen Xenofobie’ trekt in bij de Nederlandse Werkgroep, met nog meer internationale conferenties als gevolg. Er wordt zelfs een internationaal handboek geproduceerd: The European Handbook for Journalists Unions To counter Racisme in the Media. Met vertaling in het Frans en Duits. Het bruist kortom, en het gist.

De Werkgroep wordt flink geholpen door het feit dat er veel geld beschikbaar komt, vooral als gevolg van de nota Media en Minderheden van 1994. Het geld komt grotendeels van Binnenlandse Zaken en van VWS maar ook van het Bedrijfsfonds voor de Pers.

Gesubsidieerd werkgelegenheidsproject met vooral witte leden

De werkgroep verandert van een links antifascistisch, antiracistisch vrijwilligersclubje in een zwaar gesubsidieerd werkgelegenheidsproject. Vooral de witte leden van de Werkgroep, zoals Bart Top, Monique Doppert en Judit Neurink lijken vooraan te staan bij het uitdelen van de lucratieve opdrachten. Met rekent bedragen van 675 gulden per dag voor projecten van 50 dagen of langer alsof het niets is. (Brief 22 april 1998 aan het bestuur over de zogenaamde Deskundigengids, met daarin namen van allochtone deskundigen waarvoor 100.000 gulden subsidie was verkregen).

Even lijkt er in 1994 een einde te komen aan de subsidiestroom. Erica Terpstra wordt staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De subsidies aan de Werkgroep verlopen via de NVJ, de vakbond dus. Terpstra, VVD, vindt het subsidiëren van vakbonden principieel onjuist. Ze wil er van af. Waarop Hans Verploeg een rechtszaak aanspant en een lobby in Tweede Kamer begint. Met behulp van een motie van GroenLinks, gesteund door PvdA, D66 én VVD, wordt het besluit teruggedraaid.

Subsidie uit Brussel

Maar de boodschap dringt wel degelijk door. Om niet meer louter afhankelijk te zijn van de Haagse geldkraan wordt nu ook subsidie uit Brussel aangeboord. Daar is inmiddels Hedy D’Ancona neergestreken als fractievoorzitter van de PvdA. Als minister van WVC (1989 – 1994) is zij de Werkgroep altijd goed gezind geweest. Elke nieuwe brochure wordt niet alleen gesubsidieerd, maar ook blij door haar in ontvangst genomen.

Het plan voor subsidie uit Brussel is afkomstig van de nieuwe coördinator. Hij weet niets van de “stiel van journalist” en de Werkgroep zelf kent hij bij zijn aantreden slechts “van naam”. Maar als oud-beleidsmedewerker van het ministerie kent hij wél de subsidiewegen.
(Nieuwsbrief 2, november 1994, interview met Donald Wieringa)
De Werkgroep zou haar voortbestaan daarmee nog tien jaar weten te rekken.

 

“Ik ging er graag heen hoor, die eerste dag. Ik dacht, ik heb nou vier jaar ervaring met rijden, daar wil ik wel eens over meepraten. Elke avond schrijf ik op, die bank is stuk, daar hangt de deur uit zijn scharnieren, dat stuk zit onder de viltstift. (..) Maar daar ging het niet om. Het ging erom dat wij begrepen dat die gozer die die bank stukgesneden had waarschijnlijk zijn grootmoeder had begraven. Dus ik dacht, laat maar zitten, zo’n onwerkelijk iets.. (..) Ja over dit soort dingen praten wij veel in het huiske [de bestuurdersruimte aan het einde van de lijn]. Er is veel onvrede, je gaat denken aan de Centrumpartij. De partijen die er nu zitten, zeggen toch alleen maar dat wij overdrijven. Het valt allemaal wel mee. En ze zeggen dat wij discrimineren. Ik discrimineer niet. Ik bedoel niet, de buitenlanders die hier wonen en werken moeten eruit. Maar die hier komen voor de bijstand of voor de kinderbijslag, misschien kunnen die toch beter terug naar Turkije.”

(Uit: De bestuurders van Lijn Zestien, VN, 29 september 1984)

 

Eind jaren tachtig vraagt menig journalist zich af of “Links Janmaat niet in de kaart [heeft] gespeeld”
(Volkskrant, 19-9-1889, Harry Rijpkema en Aernout Konijnenburg).
Zo kan men in het gemiddelde buurthuis inmiddels wél een cursus Arabisch volgen, maar geen Nederlands. Met desastreuze gevolgen, ook voor de nieuwkomers zelf.

Paul Scheffer en het multiculturele drama

In 1991 zet de toenmalige VVD-leider Frits Bolkestein als eerste politicus de integratie  van minderheden als “probleem” op de agenda. Het komt hem op bijval, maar ook op zeer veel kritiek te staan. Als Paul Scheffer (PvdA) bijna tien jaar later Het multiculturele drama schrijft is de beer los. Ook links Nederland ontkent de problemen niet langer. In 2001 vinden de aanslagen op de Twin Towers in New York plaats. Pim Fortuyn, die in 1997 Tegen de Islamisering van onze cultuur publiceert, is dan al aan zijn opmars begonnen. Hij zal in mei 2002 worden vermoord. De moord op Theo van Gogh volgt in november 2004.

‘Antisemitisme behoort niet tot het werkveld van de commissie. Want antisemitisme is niet gelijk te stellen aan racisme en joden zijn geen ras’

Al die jaren wijkt de Werkgroep geen millimeter van de politiek-correcte koers. Vooral Bart Top blijft onvermoeibaar melding maken van foute berichtgeving in vooral Het Parool dat (op gezag van de politie) melding maakt van “straatovervallen” door “jonge migranten”, over “illegale Ghanezen” en de drugsscene, die in “Turkse handen” dreigt te vallen. Zelfs de kop Buitenlanders zullen massaal kinderen laten overkomen (bericht over plannen om kinderbijslag niet langer in het buitenland uit te betalen) vindt geen genade in de ogen van Top.

Racistische opvattingen zonder kritische kanttekening

Bij aanklachten tegen individuele kranten verandert men wel van tactiek. Kennelijk heeft men geen zin (meer) in trammelant met het NVJ-bestuur. Zo krijgt in 1990 hoofdredacteur J. Verstegen van Het Nieuwsblad van Tilburg een brief op poten, ondertekend door het Tilburgse Meldpunt Discriminatie Klachten, de (gesubsidieerde) voortzetting van de Antifacisme Meldkamer. De actie wordt echter gecoördineerd met de Werkgroep.

De klacht betreft het interviewen van de Tilburgse lijsttrekker van de Centrum Democraten. Men heeft de krant “dringend geadviseerd hiervan af te zien” en “de richtlijnen van de NVJ ter harte te nemen, die tot stand zijn gekomen als resultaat van diepgaande en breed gevoerde discussies onder uw beroepsgenoten.”
Nu het kwaad dan toch is geschied zijn er twee bezwaren: “1. de heer Costanje krijgt alle ruimte om de racistische politieke opvattingen te ventileren zonder een spoor kritische kanttekening of vraagstelling. (…) 2. de heer Costanje wordt afgeschilderd als een underdog die bedreigd wordt door bloeddorstige anti-racisten. (…) Wij nemen dit zeer hoog op. (…) Wij voelen ons beledigd. (…) We verwachten dat u ons zal uitnodigen voor een gesprek teneinde de verstoorde relatie enigszins recht te trekken”, aldus de brief.

Een paar dagen later gooit lijsttrekker Costanje de handdoek in de ring. Na het interview is hij verschillende keren met de dood bedreigd.
(Het nieuwsblad, 12-3-1990).
In een ingezonden brief vraagt iemand zich af of het niet tijd wordt om het “Tilburgs Meldpunt Discriminatie Klachten eindelijk eens door te lichten. Waar zijn ze daar eigenlijk mee bezig?”.
Het is op z’n minst opmerkelijk dat het berichtje zich in het archief van de Werkgroep bevindt, tussen de stukken over de zaak Tilburg.

Selectieve politiek-correcte koers: Salman Rushdie en de fatwa

Hoe selectief de politiek-correcte koers van de Werkgroep is blijkt uit de Salman Rushdie-affaire. In februari 1989 wordt er een fatwa uitgesproken vanwege diens boek De Satanische Verzen. Niet alleen de schrijver, maar iedereen die bij de publicatie is betrokken, wordt ter dood veroordeeld. “Ik vraag alle moslims waar dan ook, hen te executeren”, aldus ayatollah Khomeiny. Rushdie moet tien jaar onderduiken en het kost de Japanse vertaler zijn leven. De Italiaanse en Noorse uitgever overleven ternauwernood een aanslag. Ook in Nederland gaan tientallen moslims de straat op en kleine kinderen zwaaien met spandoeken voorzien van teksten als ‘Dood aan Rushdie’ maar ook ‘Joden de Zee in’.

De Werkgroep ziet hier echter geen taak. Antisemitisme, zo heeft men al in 1988 besloten, “behoort niet tot het werkveld van de commissie”. Want, aldus de toelichting, “antisemitisme is niet gelijk te stellen aan racisme” en “joden zijn geen ras”.
(Notulen vergadering, 3-3-1988).
Ook Anti-Fascistisch Front Amsterdam ziet geen taak als het om antisemitisme gaat. (Klacht, 21-10-1988)

11 september 2001

Na de aanslagen van 11 september 2001 stelt de Werkgroep een knipselkrant samen met de titel 11 september en de gekte. Steun wordt gegeven door Mark Deuze, hoogleraar Mediastudies, die Nederlandse berichtgeving “bedroevend” en “discriminerend” noemt. Volgens hem ligt het aan de Nederlandse journalist, in doorsnee een witte man van boven de veertig, die weinig op heeft met zijn “spiegelfunctie”.
Als reminder hoe het wél moet, komt er in 2003 maar weer eens een (gesubsidieerd) boekwerkje uit, dit keer met de titel Horen, zien en schrijven, aanbevelingen voor berichtgeving over de multiculturele samenleving.

De media wordt de mantel uitgeveegd over (volgens de Werkgroep onjuiste) onderzoeken naar de radicalisering onder moslims en vanwege berichtgeving over terreur in treinen door Marokkaanse jongeren. Dat bericht was weliswaar afkomstig van de NS, maar “media zijn niet louter doorgeefluik. Ze hebben een eigen verantwoordelijkheid en moeten zich bewust zijn van het effect van hun uitspraken”.

Het einde van de mediapolitie

Gertjan van Schoonhoven schrijft in Elsevier een column over de brochure onder de titel Zelfcensuur. De cover, met daarop drie aapjes, lijkt hem symbolisch. Hij ziet er de “aap van de neerbuigende betutteling” in. “De aap in zijn welzijnswerkerstenue die – verblind door zijn eigen goedertierenheid, niet ziet dat juist hij stigmatiseert (…) Bedankt NVJ”.
Opnieuw volgen er opzeggingen. De NVJ, toch al onder vuur omdat men bepaald niet voorop heeft gelopen in de discussie over integratie, wil van de Werkgroep af. Hans Verploeg beseft dat hij het onheil dit keer niet kan keren.

Al eerder heeft het ministerie laten weten dat er vanaf 2004 geen subsidie voor de coördinator (meer) komt. Uit Brussel is de subsidiestroom al enige jaren opgedroogd.

Op donderdag 15 januari 2004 legt het bestuur het hoofd in de schoot.

De mediapolitie is ter ziele.

 

“Ik kan het niet verkroppen. Links vindt toch dat wij ons moeten aanpassen. Zij nooit, daar hoor je nooit wat van. Ik vind, het moslimfanatisme is gevaarlijker dan de atoombom, de aartsvijand van het christendom. De islam is geen vreedzame godsdienst, we hebben het paar van Troje binnengehaald. (…) Ik persoonlijk vind, maar dat mag ik ook weer niet zeggen, buitenlanders met een strafblad eruit. Opgeruimd staat netjes. Die nu links zijn en het voor het zeggen hebben in de stad, die zijn in weelde grootgebracht en buiten de werkelijkheid  opgevoed. Die weten toch niet meer wat er bij de gewone men leeft.”

(Uit: De bestuurders van Lijn Zestien, VN, 29 september 1984)

 

Lees ook: F.A.Q. misverstanden over de journalistiek