Recensie

Recensie – Martin Bosma doet de waarheid over Zuid-Afrika geweld aan

04-06-2015 15:07

Als een politicus een boek publiceert over Zuid-Afrika, is het oppassen geblazen. Weinig gebieden in de wereld zijn zozeer een projectiescherm voor idealisten en ideologen als juist dit land. Daarom is er alle reden het nieuwste boek van PVV-Kamerlid Martin Bosma, Minderheid in eigen land. Hoe progressieve strijd ontaardt in genocide en ANC-apartheid, met kritisch tegemoet te treden. Welk verhaal over Zuid-Afrika vertelt de auteur en vanuit wiens perspectief? Welke bronnen gebruikt hij? Gaat hij er op een verantwoorde manier mee om, of neemt hij er slechts uit wat hem te pas komt?

Bosma’s notenapparaat

Liefst 520 bladzijden en 2095 voetnoten bevat Bosma’s werk. Het is bijna ondoenlijk om alle informatie en alle bronnen te controleren. Ik heb dan ook keuzes moeten maken. De passages over Nederland en zijn migratieproblemen laat ik buiten beschouwing. Niet omdat ze geen relatie hebben met de rest van het boek. Integendeel, Bosma veronderstelt dat de positie van autochtone Nederlanders spoedig dezelfde zal zijn als die van de Afrikaners, een in zijn ogen bedreigd volk. Maar anderen zijn veel beter toegerust dan ik om een kritisch licht te laten schijnen op zijn beweringen over de Nederlandse situatie. Mijn focus ligt op de hoofdstukken over de geschiedenis van Zuid-Afrika, omdat ik daar zelf onderzoek naar doe. Verder heb ik gekeken naar Bosma’s onderbouwing van een aantal stellingen met betrekking tot de huidige situatie in het land.

‘Sommige verwijzingen leiden niet naar de veronderstelde informatie’

Bosma’s beweringen heb ik zo veel mogelijk getoetst aan de huidige stand van de wetenschap. Ik heb literatuur en websites gebruikt waar de auteur zelf naar verwijst. Ongeveer de helft van de voetnoten kon ik niet natrekken, want die titels staan niet in mijn boekenkast en zijn ook niet elders in mijn omgeving of op internet te raadplegen. In zulke gevallen heb ik er andere bronnen op nageslagen, waarvan ik weet dat ze betrouwbaar zijn.

Direct is me opgevallen dat Bosma’s notenapparaat hier en daar te wensen over laat. Sommige verwijzingen leiden niet naar de veronderstelde informatie. Andere bronnen parafraseert Bosma te kort door de bocht of ronduit verkeerd. En dan zijn er nog vele zelfbedachte frames van Bosma, zoals ‘autobandzender’, ‘slegs vir swartes’ en ‘blankenbelasting’. Ik beperk me echter tot hoofdlijnen.

Mijn conclusie is dat Bosma op aantal cruciale punten de waarheid geweld aan doet. Waarom, dat zal ik nu toelichten.

Zomaar geweld

cover bosma Een van de dingen die Bosma wil aantonen, is dat progressieve Nederlanders die in de tijd van de Apartheid het ANC steunden, zich hebben gelieerd aan een uiterst gewelddadige organisatie. Hij beschrijft drie vormen van geweld: bomaanslagen op doelen in Zuid-Afrika; disciplinaire martelingen en executies in de guerrillakampen in de buurlanden; halsbandmoorden en andere gruweldaden tegen aanhangers van Inkatha. Dat deze geweldsvormen op een grote schaal hebben plaatsgevonden, is onder historici algemeen geaccepteerde kennis.

Maar Bosma plaatst het geweld niet in zijn context. Voor de lezer lijkt het daardoor alsof het ANC op een kwade dag zomaar, zonder aanleiding, besloot terreuraanslagen te plegen. Een aantal dingen vertelt de auteur namelijk niet. Het ANC had tijdens de 48 jaar sinds haar oprichting in 1912 geprobeerd met de blanke minderheidsregering in dialoog te komen, maar zonder enig resultaat. De rechten van niet-blanken werden alleen maar verder beknot. De in 1952 aangetreden voorzitter Albert Luthuli was een voorstander van geweldloze protestacties in de stijl van Gandhi en Martin Luther King. De Apartheidsregering plaatste Luthuli vanaf 1953 onder huisarrest.

Toen op 21 maart 1960 de politie in Sharpeville 69 betogers doodschoot, kwam er een stroomversnelling op gang. Op 30 maart riep de regering-Verwoerd de noodtoestand uit en op 8 april verbood zij het ANC. Zo bevorderde het regime de radicalisering van de antiapartheidsstrijd. Het ANC ging een nauwe verbinding aan met de al langer verboden Communistische Partij (SACP). Zoals Bosma correct vermeldt, waren het feitelijk de communisten die de beslissing namen om de gewapende guerrillagroep, Umkhonto we Sizwe (MK) op te richten onder leiding van Nelson Mandela.

In de passages die Bosma wijdt aan de burgeroorlog die begin jaren negentig, gedurende de moeizame onderhandelingen over de overgang naar een democratisch systeem, woedde tussen leden van het ANC en Inkatha, lijkt het alsof de laatste partij niet meedeed, behalve als slachtoffer. Ook de speciale politie-eenheid op Vlakplaas, die martelde, moordde en wapens leverde aan Inkatha, ontbreekt in het verhaal. Over de rol van Inkatha en de politie had Bosma voldoende informatie kunnen vinden in Hermann Giliomee’s boek Die laaste Afrikaner leiers, waar hij op andere momenten vaak naar verwijst. Om kort te gaan: Bosma’s versie van de ANC-geschiedenis is onevenwichtig.

‘Bosma noemt deze eerste aanval ‘bloedig’. In werkelijkheid vielen er geen slachtoffers’

De auteur verdraait ook zaken. Op p. 91 schrijft hij dat Mandela opdracht kreeg om Luthuli te overtuigen van de noodzaak tot gewapend verzet, en vervolgt: ‘Luthuli stemt in met het geweld. Zes maanden later ontvangt hij de Nobelprijs voor de Vrede.’ In de voetnoot verwijst Bosma naar een artikel van VU-professor Stephen Ellis op Politicsweb. Maar daar staat iets anders, namelijk: ‘[…] de voorzitter van het ANC, chief Albert Luthuli, heeft gewapende strijd nooit als ANC-beleid geaccepteerd. Bovendien gold de beperkte toestemming die de nationale leiding van het ANC gaf alleen voor de oprichting van Umkhonte we Sizwe, niet voor het daadwerkelijk beginnen van gewapende activiteit.’

Toen MK-leden op 16 december 1961 – tien dagen nádat Luthuli in Oslo de Nobelprijs in ontvangst nam – voor het eerst bomaanslagen pleegde, deden ze dat dus zonder zijn toestemming. Bosma noemt deze eerste aanval ‘bloedig’ (p. 99). In werkelijkheid vielen er geen slachtoffers. Dat was bewust zo gepland. Pas nadat sabotageacties niet genoeg bleken om de regering te dwingen een nationale conventie in te roepen, werden ook personen slachtoffer van MK-acties.

Zo zijn er meer verdraaiingen. De SACP, schrijft Bosma op p. 13, ‘heeft ook altijd enthousiast de antisemitische terreur van Stalin gesteund.’ De voetnoot leidt naar een artikel van Paul Trawhele op Politicsweb. Maar daar staat niet wat Bosma beweert dat er staat. Wel dit: ‘[…] elk van de Joodse oprichters van de SACP […] zou bijna zeker zelf zijn geëxecuteerd, omdat zij Joden waren, als zij communisten in Rusland of waar ook in Oost-Europa waren geweest in de periode 1948-1953.’ Geen woord over enthousiaste steun.

Leeg land?

Vrijwel direct na verschijning van het boek, en Bosma’s optreden in Pauw van 29 mei jongstleden, kwam er kritiek van onder meer NRC-correspondent Bram Vermeulen en de redactie van ZAM Magazine. Bosma zou hebben gezegd en geschreven dat toen halverwege de negentiende eeuw Afrikaanstalige ‘Voortrekkers’ het zogenaamde Hogeveld van Zuid-Afrika binnentrokken, zij een onbewoond gebied aantroffen. Als dat waar is, dan recyclet hij een versie van de geschiedenis die het Apartheidsregime propageerde, maar die inmiddels door wetenschappers onderuit is gehaald.

Bosma heeft via Twitter ontkend dat hij het Hoge Veld leeg noemt. ‘Stop met gesubsidieerd liegen!’ bijt hij de ZAM-redactie toe.

Wat schrijft Bosma werkelijk in zijn boek? Dit:

 “[…] het hart van het Hogeveld – oftewel het centrale hoogland – is het gebied waar [de Afrikaners] zich vestigden terwijl dat nagenoeg leeg stond. Ze waren de eerste permanente bewoners.” (p. 21)

 “De waarheid: het binnenland van het Hogeveld staat leeg. De Voortrekkers trekken erin.” (p. 69)

 “De monumentale Trek van de Boeren is een tocht in de richting van een gebied waar niemand woont.” (p.70)

 “Etnograaf en Afrikadeskundige H.P.N. Muller […] schrijft in 1907: “In den lateren Vrijstaat nl. vonden zij geen inboorlingen vast gevestigd. Wel werd dit gebied nu en dan bezocht door naturellen, in groote of kleine groepen, maar deze konden geen oudere rechten doen gelden dan de boeren”.” (p. 70)

“Waarom staat het binnenland van het Hogeveld leeg als de Voortrekkers erin trekken?” (p.72)

“Oom Paul, die als kind […] het leegstaande Hogeveld in trok” (p. 227)

Op het eerste gezicht spreekt Bosma zichzelf dus tegen: hij noemt het Hogeveld zowel ‘leeg’ als ‘nagenoeg leeg’, terwijl hij gewag maakt van nomaden die door het gebied trokken. Deze paradox is te verklaren. Bosma’s definitie van ‘leeg’ is namelijk: ontdaan van een sedentaire bevolking. Het woord ‘permanent’ in het eerste citaat is veelzeggend. Nomaden die het savanne-achtige Hoge Veld gebruikten als weidegrond voor hun vee, beschouwt Bosma niet als bewoners die aanspraken kunnen doen gelden. Zo kan hij tot de volgende conclusie komen:

In het binnenland van het Hogeveld geldt dus:

  • Boeren/Afrikaners zijn inheems: de autochtonen.
  • Bantoes en anderen vormen allochtone volkeren.’ (p. 70)

De stelling dat nomadische volken geen land kunnen claimen, is aanvechtbaar. Bovendien leefden veel Boeren zelf als half nomadische trekboers. Ook waren er wel degelijk semi-permanente bewoners. Nu is onduidelijk wat Bosma bedoelt met ‘het binnenland van het Hogeveld’, maar hij vertelt in elk geval niet dat toen de eerste Voortrekkers in 1836 de Vaalrivier overstaken, ze werden geconfronteerd met de Matabele. Eerder waren deze door de Zoeloes uit Natal verdreven, maar ze hadden zich opnieuw gevestigd ten westen van het huidige Pretoria. Hun koning Mzilikazi beschouwde dit deel van het Hogeveld als zijn territorium en probeerde de blanken te verjagen. Maar de Matabele werden verslagen bij Vegkop (bij Heilbron) en Mosega (Mafikeng). ‘Nu waren er geen serieuze rivalen meer voor de emigranten op het plateau van het Hogeveld,’ schrijft Hermann Giliomee in The Afrikaners.

‘Dit zijn geen onschuldige vergissingen’

Bosma haalt nog een klassieke Lege-Landmythe van stal. ‘Als Jan van Riebeeck in 1652 landt aan de Zuidkaap,’ schrijft hij, ‘is hij honderden kilometers verwijderd van de meest nabije Bantoe-sprekers. Die verblijven aan de andere kant van het land […]’ (p. 68) Nederlanders en Bantoes zouden vervolgens gelijktijdig het binnenland intrekken. Bosma: ‘Cruciaal: de ontmoeting van blank en zwart in Zuid-Afrika is de ontmoeting van twee immigratiestromen’ (p. 67). Waren er dan geen andere bewoners? Jawel, de Khoi en de San, vaak samengevat in één woord: Khoisan. Maar van deze oorspronkelijke bevolkingsgroep zijn ‘nog maar tienduizend mensen over’ (p. 66).

Archeologen hebben in de jaren tachtig ontdekkingen gedaan die niets heel laten van deze mythe. In het oosten van Zuid-Afrika zijn sporen gevonden van Bantoe-populaties uit omstreeks 300. Grootschalige immigratie van Bantoes uit het noorden vond bovendien al plaats in de twaalfde eeuw, dus vijf eeuwen eerder dan de aankomst van Van Riebeeck. Kortom: zwarten waren eerder in Zuid-Afrika dan blanken.

Dit zijn geen onschuldige vergissingen. De ‘architect van Apartheid’ Hendrik Verwoerd (1901-1966) gebruikte bovenstaande mythes om 87 procent van Zuid-Afrika als ‘blank’ te bestempelen. Tegenwoordig zetten sommige Afrikaner groeperingen ze in voor hun streven naar een zelfstandige blanke ‘volksstaat’. Met een van deze groeperingen, die zich heeft gevestigd in het dorpje Orania in de noordelijke Karoo, onderhoudt Bosma betrekkingen. In het dorp mogen alleen Afrikaners wonen.

Bosma noemt Orania in zijn boek één keer en zegt erbij dat de bewoners ‘door progressieve journalisten altijd worden afgeschilderd als “extreem-rechts” of “racistisch”.’ Dat laatste is echter een juiste constatering. Orania is exclusief bedoeld voor Afrikaners, die volgens de eigen definitie blank zijn. Een van huis uit Afrikaanssprekende kleurling die gek is op koeksisters en elke zondag in de Nederduitse Gereformeerde Kerk zit, wordt door de mensen in Orania niet als een Afrikaner beschouwd.

Succesvolle Economische Minderheid

Bosma beschrijft hoe positieve discriminatie door de ANC-overheid desastreus uitpakt voor het functioneren van Zuid-Afrika en hoe een kleine zwarte elite zich bovenmatig verrijkt. Dit is correcte en in brede kring bekende informatie. Maar ondanks de door Bosma geconstateerde achterstelling noemt hij de Afrikaners een Succesvolle Economische Minderheid – een begrip dat hij leent van de Amerikaanse jurist Amy Chua. In haar boek World On Fire geeft Chua voorbeelden: Chinezen in Azië en Joden in nazi-Duitsland, maar ook bijvoorbeeld Armeniërs in het Ottomaanse Rijk. En de Afrikaners.

Bosma verwijst verder naar een boek van de Duitse historicus Götz Aly, Warum die Deutschen, warum die Juden? Aly wijdt het antisemitisme in nazi-Duitsland aan jaloezie jegens het Joodse deel van de bevolking, dat economisch en intellectueel beter presteerde dan de rest. Hetzelfde geldt volgens Bosma voor de Afrikaners. Maar hij vergeet een belangrijk verschil: de Duitse Joden boekten hun successen op eigen kracht, nadat zij eeuwenlang tweederangsburgers waren geweest. Zij zijn niet altijd een bevoorrechte groep geweest, zoals de Afrikaners en andere witte Zuid-Afrikanen.

Het begon al in de zeventiende eeuw, toen de VOC slaven naar de Kaap haalde. Ook de Khoisan werden gedwongen voor de Nederlanders te werken. Dat wil zeggen, degenen die nog over waren. Niet alleen waren veel San verzwakt door Europese ziektes, maar volgens historicus Mohamed Adhikari van de University of Cape Town, die hier onderzoek naar heeft gedaan, pleegden de Nederlanders ook genocide op de oorspronkelijke bewoners. De San, een volk van jagers en verzamelaars, werden beschouwd als ongedierte en er werd door de blanken op gejaagd. Bosma echter, die voor geweldsepisoden waarbij zwarten de daders zijn het woord genocide wel gebruikt, spreekt in dit geval van ‘botsingen met de blanken’ (p. 67).

‘Na de verloren Boerenoorlog waren de Afrikaners allesbehalve een Succesvolle Economische Minderheid’

De Nederlanders maakten de overgebleven Khoisan tot horigen, gebonden aan de grond van hun baas. Toen de Britten in 1838 deze semi-slavernij afschaften, was dit een van de redenen voor de Grote Trek. Volgens Bosma namen de Boeren hun ‘werknemers’ (p. 73) mee naar Natal en het Hogeveld. Ook daar dwongen ze de bevolking voor hen te werken. Commando’s te paard kidnapten Bantoe-kinderen om ze als inboekselinge groot te brengen voor horigheid. Dit staat allemaal in het door Bosma uitvoerig gebruikte The Afrikaners. Maar Bosma kiest zijn eigen woorden: ‘Als de Voortrekkers zich vestigen in Natal brengt dat meteen een explosie in Bantoe-werkgelegenheid met zich mee’. (p. 73)

Na de verloren Boerenoorlog waren de Afrikaners allesbehalve een Succesvolle Economische Minderheid. Diegenen die hun land hadden verloren en niet als bywoners naast zwarte pachters op de plaas van de grote boren wilden wonen, verpauperden en trokken naar de steden. Ze werkten in mijnen en fabrieken en woonden in etnisch gemengde buurten zoals District Six en Sophiatown. Een kleine Afrikaner elite – bestaande uit dominees, politici en wetenschappers zoals de jonge socioloog Hendrik Verwoerd – zagen dit met lede ogen aan en wilden iets doen aan het armblankesvraagstuk. Hun oplossing: pak de beter betaalde banen van zwarten en kleurlingen af en geef ze exclusief aan mensen van de eigen blanke groep. Zo’n colour bar was al in 1912 geïntroduceerd, maar werd in 1926 flink uitgebreid door een coalitie van de Nasionale Party en de Labour Party.

De wettelijke bevoorrechting van witte werknemers bleef een van de pijlers van de Apartheidspolitiek. Zodoende kwam blanke armoede tot 1994 vrijwel niet voor. Ook de huidige generatie Afrikaners profiteert indirect nog van die discriminatie. De rijkdom is nog steeds uiterst ongelijk verdeeld over blanke en zwarte Zuid-Afrikanen, al zijn groepen, met name laag opgeleide Afrikaners economisch afgegleden.

Oude en nieuwe apartheid

Volgens Bosma was er tot 1994 de ‘oude’ apartheid, waarbij blanken zwarten discrimineerden, en is daarna de ‘nieuwe’ apartheid begonnen, waarbij de rollen precies zijn omgedraaid. Hij vindt dat de twee perioden onder die ene noemer kunnen worden gebracht, want, stelt hij: ‘Apartheid is niet een tijdperk. “Apartheid” is een definitie – opgesteld door de Verenigde Naties’. (p. 19) Het gaat om een omschrijving uit 1973 die van apartheid weinig meer maakt dan onderdrukking van de ene etnische groep door de andere (p. 407)

Geschiedwetenschappelijk is deze definitie weinig waard. Allerlei uiteenlopende politieke systemen, waaronder het nationaal-socialisme, zouden zo als apartheid kunnen worden aangemerkt. Dit doet geen recht aan de unieke kenmerken van de Apartheid, zoals die tussen 1950 en 1994 in Zuid-Afrika werd doorgevoerd. Meest in het oog springend was daarbij de thuislandenpolitiek.

‘Over de echte Apartheid vermeldt Bosma verder weinig’

Bosma laat de ‘oude apartheid’ al eerder ingaan. In het hoofdstukje Mythe: de oude apartheid is uitgevonden door de Afrikaners schrijft hij: ‘Na de Boerenoorlog voeren de Engelsen (tussen 1910 en 1936) een groot aantal rassenwetten in.’ (p. 80). In de historische literatuur wordt voor deze periode de term ‘segregatie’ gebruikt, juist om haar te onderscheiden van Apartheid – ook al vloeide het laatste voort uit het eerste. Overigens werden de bedoelde rassenwetten niet ingesteld door ‘de Engelsen’, maar door regeringen die werden geleid door Afrikaner generaals uit de Boerenoorlog: Botha, Smuts, Hertzog. Dat is niet zo gek, want het vrijwel uitsluitend blanke electoraat werd door Afrikaners gedomineerd. Wat Bosma een ‘mythe’ noemt is dus feitelijk correct.

Over de echte Apartheid vermeldt Bosma verder weinig. Hij noemt de gedwongen verhuizing van miljoenen zwarten als gevolg van de thuislandenpolitiek. Maar ook, dat Mandela er aanvankelijk ‘zeer enthousiast’ over was (p. 81). De auteur doelt op een brief die Mandela in 1963 schreef in de gevangenis, en waarin hij stelde dat het beter was om te proberen de semi-onafhankelijke regering van Transkei in het eigen ANC-kamp te trekken, dan om het thuisland te boycotten.

Tenslotte verklaart Bosma nog dit: ‘De thuislanden […] worden een enorme puinhoop. De regeringen zien de thuislanden vooral als een geldfontein’ (p. 81) Dat de gebieden simpelweg economisch niet levensvatbaar waren, en dat ambtelijke rapporten daar de regering al in 1946 en 1955 voor hadden gewaarschuwd, laat Bosma achterwege. Door zijn formulering lijkt het alsof de zwarten de puinhoop van de thuislanden aan zichzelf te danken haddden.

‘Ook sommige andere passages suggereren nostalgie naar de tijd vóór 1994’

Zoals eerder opgemerkt, beschuldigt Bosma het ANC, dat sinds 1994 aan de macht is, van ‘nieuwe apartheid’ of ‘apartheid 2.0’. Ter onderbouwing wijst hij op het stelsel van ‘positieve discriminatie’ ten gunste van zwarte Zuid-Afrikanen – en dus tot nadeel van blanken. In totaal zijn er hedentendage 144 rassenwetten, stelt Bosma, tegenover 17 onder de ‘oude apartheid’. Hiermee wekt hij de suggestie dat de ‘oude’ apartheid beter was dan de ‘nieuwe’. Maar van de echte Apartheidswetten noemt hij alleen de belangrijkste. Net zoals tegenwoordig ‘positieve discriminatie’ in bijna elke wet is geclausuleerd, zo gold dit voor rassensegregatie in de wetten van het Apartheidsregime. Bovendien deden deze wetten een grotere aanslag op de persoonlijke levenssfeer en de individuele vrijheden – neem de pasjeswetten en het verbod op interraciaal seksueel contact.

Ook sommige andere passages suggereren nostalgie naar de tijd vóór 1994. ‘In het pre-ANC-tijdperk kon iedereen ’s avonds ongehinderd over straat lopen,’ schrijft Bosma. ‘In de wijk Sunnyside in Pretoria had niemand een schutting. Je klopte gewoon bij elkaar aan voor een koffie.’ (p. 264) Dit idyllische beeld verschilt inderdaad nogal van de verloederde grotestadswijk die Sunnyside tegenwoordig is. Maar Bosma vertelt niet dat het vroeger alleen maar zo’n leuke blanke buurt kon zijn vanwege de strikte rassenscheiding. Niet-blanken mochten Sunnyside niet in zonder pasjes, en die werden alleen verstrekt aan dienstboden, tuinmannen en ander servicepersoneel. Het Sunnyside van destijds verschilde feitelijk weinig van de gated communities buiten de stad, waar tegenwoordig veel blanke Zuid-Afrikanen wonen.

Criminaliteit is een geweldig groot probleem in Zuid-Afrika, maar er is geen reden om aan te nemen dat het land voorheen één groot Sunnyside was. In de townships en plakkersdorpe tierde de misdaad ook vóór 1994 welig, om nog te zwijgen van de desolate thuislanden. Betrouwbare misdaadcijfers uit die periode zijn helaas niet voorhanden, mede omdat voor de thuislanden geen statistieken werden bijgehouden. Die lagen immers ‘buiten Zuid-Afrika’. Dat maakt vergelijken lastig.

Gelijk en ongelijk

‘Wie hadden er gelijk? De mensen die werden weggezet als “racisten”. Wie zaten ernaast? De complete elite van Nederland’, schrijft Bosma (p. 419). Het is een centraal thema in zijn boek. Uit de 520 pagina’s wordt niet goed duidelijk om welke personen het gaat. Voor de groep mensen die Bosma beschouwd als gecompromitteerd vanwege hun steun aan het ANC gebruikt hij verschillende definities. Op p. 17: ‘[Wij] schrijven niet “de” antiapartheidsbeweging. Dat zou van te weinig nuance getuigen. We onderzoeken de “pro-ANC-beweging”, hier ook wel aangeduid als de “anti-Zuid-Afrika-beweging”.

Een paar regels eerder omschrijft Bosma deze beweging als: ‘Mensen en organisaties die […] het ANC als organisatie actief gingen ondersteunen, of de agenda ervan: boycots en isolatie.’ Dat heb je het over een behoorlijk deel van de bevolking, die geen Outspan-sinaasappels meer kocht,’s zondags geld in het collectezakje deed voor Kairos, of actief was in een van de vele lokale anti-apartheidscomités. Dat hier een flinke mobiliserende kracht van uitging, blijkt uit het proefschrift van Roeland Muskens, Aan de goede kant. Biografie van de Nederlandse anti-apartheidsbeweging 1960-1990. Het doet dan ook vreemd aan om bij Bosma te lezen dat Nederland ‘helemaal niet warm [loopt] voor het ANC. Het gaat steeds om uiterst marginale organisaties’. (p. 238)

‘Maar wie hadden precies ‘gelijk’?’

Dit waren de mensen die volgens Bosma ‘ongelijk’ hadden. Maar wie hadden precies ‘gelijk’? Op pagina 17 geeft de auteur een paar namen: ‘Zie Frits Bolkestein, of de kleine christelijke partijen. VVD-coryfee Henk Vonhoff is een van de eerste tegenstanders van apartheid in Nederland, maar hij verlaat in 1968 het Comité Zuid-Afrika als dat kiest voor geweld.’ Een iets langere opsomming staat op p. 241: ‘Sommigen houden het hoofd koel: professor Couwenberg, Henk Vonhoff, Henri Minderop (omroep TROS), Prosper Ego (Oud-Strijderslegioen), de kleine christelijke partijen.’

Twee categorieën op deze lijst zijn opvallend: het Oud-Strijderslegioen (OSL) en de kleine christelijke partijen. OSL-voorzitter Prosper Ego was in 1963 een van de oprichters van de Nederlandse Zuidafrikaanse Werkgemeenschap (NZAW). Deze spliste zich af van de Nederlandse Zuidafrikaanse Vereniging (NZAV), omdat die zich voorzichtige kritiek op het Apartheidsregime veroorloofde. Steunde de NZAV het ANC, boycots, isolatie? Integendeel, het wilde nauw contact houden met de regering in Pretoria om zodoende de culturele uitwisseling tussen Nederlanders en Afrikaners te bevorderen. Hooguit gebruikten NZAV-bestuurders hun relaties om, in hun eigen terminologie, een ‘kritische dialoog’ te voeren met het Apartheidsregime. Dit ging Ego echter te ver. Hijzelf en de NZAW waren namelijk pro-Apartheid.

Dat gold ook voor het GPV, een van de drie kleine christelijke partijen. Historicus Ewout Klei schrijft in zijn dissertatie over het GPV (Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek) dat deze partij ‘tot begin jaren tachtig expliciet de apartheid in Zuid-Afrika [bleef] steunen. Toen apartheid in de jaren zestig in Nederland en de rest van de wereld onder vuur kwam te liggen, kreeg het GPV als rechtse tegenpartij voor de Zuid-Afrikaanse politiek van gescheiden ontwikkeling steeds meer sympathie.’

Bosma schrijft op p. 19 van zijn boek: ‘[D]e oude apartheid […] was verwerpelijk en immoreel. Drie strepen eronder. Plus uitroeptekens.’ Tegelijkertijd stelt hij dat zowel Prosper Ego als het GPV ‘gelijk’ hadden. Een curieuze tegenstrijdigheid.

Eindoordeel

Is alles onzin wat Bosma in Minderheid in eigen land beweert? Natuurlijk niet. Maar op een aantal cruciale onderwerpen vliegt hij uit de bocht. Dan citeert hij bronnen verkeerd, presenteert hij de geschiedenis onevenwichtig of verdraait hij zelfs de feiten. Dit maakt zijn boek in hoge mate onbetrouwbaar.