Voorbij het eigen gelijk
 
 
Longread

Ahmed Marcouch, een politieke biografie

Hoofdstuk 27: Aanpak van de radicalisering (deel 1 van 2)

Tags:

dossier_marcouch_530

De oude sociaaldemocraat Wim Knol, die al verschillende keren in dit boek aan het woord kwam, was jarenlang voorzitter van het bestuur van het wijkcentrum Eigenwijks in Slotervaart. Hij voerde daarnaast van 1988 tot 2004 de feitelijke directie over het wijkcentrum. 

In die hoedanigheid nam hij in 2001 een ambitieuze Marokkaanse jongeman aan als vrijwilliger, die in de Mondriaanbuurt in Overtoomse Veld-Noord woonde: Mohammed Bouyeri. ‘Wij kenden Mo al een tijd, want hij was actief met Marokkaanse jongeren in Overtoomse Veld,’ vertelde Knol.

 

‘We hadden toen al regelmatig discussies met Mohammed Bouyeri over het geloof, soms wel tot twee uur ’s nachts. Wij hadden een fundamenteel meningsverschil over religie’

 

‘Hij had een hbo-opleiding gedaan en hoorde tot de meer ontwikkelde Marokkaanse jongens in de buurt. Hij was heel kien en idealistisch. Hij zag er toen nog normaal uit en had alleen af en toe een baardje. Het was de bedoeling dat hij zaalbeheerder zou worden in Eigenwijks. Hij deed zijn werk fantastisch. Maar we hadden toen al regelmatig discussies over het geloof, soms wel tot twee uur ’s nachts. Wij hadden een fundamenteel meningsverschil over religie.’

Knols opvatting was: ‘Accepteer van elkaar de verschillen en omarm de overeenkomsten.’

Maar daar moest je bij Mo niet mee aankomen, vertelde Knol. ‘Over dat accepteren van die verschillen viel gewoon niet te praten met hem. Ondanks dat feit ging het ’t eerste jaar nog wel goed. Hij maakte gedetailleerde schema’s en werkplannen voor de organisatie en het beheer van de drie zalen in het wijkcentrum. Die zagen er bijna uit als een businessplannen. Keurig allemaal.’

Maar na driekwart jaar begon Bouyeri te veranderen. Hij weigerde om ’s avonds alcohol te schenken. ‘Je moet dat gewoon doen Mo. Je bent zaalbeheerder,’ vertelde Knol hem.
‘Een tijd lang kon ik hem daar nog van overtuigen. Hij stond op het punt om een vaste aanstelling te krijgen en toen kwam de volgende stap. Bouyeri wilde niet meer aanwezig zijn tijdens bijeenkomsten waar mannen en vrouwen bij elkaar zaten.’
De bezoekers van het wijkcentrum bestonden toen volgens Knol voornamelijk uit Hollandse autochtonen.  

 

‘Mohammed Bouyeri was de idealistische jongen die zich een paar jaar eerder nog presenteerde als de verlosser van de Marokkaanse jongens in Overtoomse Veld’

 

Na twee maanden had Knol genoeg van die discussies en vertelde Bouyeri dat hij moest kiezen of delen. ‘Of je past je aan of je moet hier weg.’ Toen bleek dat Bouyeri daar nog over moest nadenken, zei Knol: ‘Ik ben er klaar mee Mo. Als je hier nu nog over moet nadenken dan hoeft het echt niet meer. Dan is er voor jou hier geen plaats meer.’

‘Het is jullie Mohammed!’

Wim Knol heeft daarna nooit meer contact gehad Mohammed Bouyeri.
‘Ik zag hem nog wel eens  een enkele keer door de wijk fietsen. Dan zwaaiden we naar elkaar, maar hij kwam nooit meer bij ons langs. Hij is gewoon een ander circuit ingegaan en ik ben hem helemaal uit het oog verloren. Ik vond dat heel jammer want ik was twee jaar lang vrijwel dagelijks met hem opgetrokken en ik vond het een aardige vent die ook redelijk begaafd was.’

‘Toen kwam die vreselijke ochtend van 2 november 2004 dat Theo van Gogh werd vermoord,’ vertelde Knol.
‘De politie kwam bij ons langs. Via de buurt-tamtam hoorde ik al: “Het is jullie Mohammed.” Ik zonk door de grond man. Ik was totaal van slag. Ik vond het zo erg. Dat iemand waar je zo’n directe band mee hebt gehad, die je zo goed dacht te kennen, een moord kon plegen. Ik had dat nooit verwacht. Daarvoor vond ik hem te zachtaardig en te intelligent, ook al had hij wel een strafblad met lichte vergrijpen en kon hij af en toe wel een gifkikkertje zijn.’

 

‘Mo heeft Theo in de ogen gekeken terwijl Theo hem smeekte om zijn leven te sparen en hem vervolgens in koele bloede neergeschoten. Hij heeft vervolgens Theo’s strot doorgesneden en hem afgeslacht’

‘Hij was de idealistische jongen die zich een paar jaar eerder nog presenteerde als de verlosser van de Marokkaanse jongens in Overtoomse Veld. “Ik ga ze op het goede pad brengen,” zei hij altijd. Hij is in die paar jaar daarna blijkbaar helemaal doorgedraaid. Mo heeft Theo in de ogen gekeken terwijl Theo hem smeekte om zijn leven te sparen en hem vervolgens in koele bloede neergeschoten. Hij heeft vervolgens Theo’s strot doorgesneden en hem afgeslacht. Dat is echt beestachtig. Dan ben je een beest. De dag dat Theo vermoord werd was één van de zwartste dagen in mijn leven. Ik heb later vaak gedacht: “Wat heb ik gemist?” Ik heb niets in de gaten gehad.’

Anti-radicaliseringsbeleid  

‘Wat heb ik gemist?’ Om antwoord te kunnen geven op die vraag van Wim Knol en anderen, ging Ahmed Marcouch als eerste in Nederland een anti-radicaliseringsbeleid opzetten in zijn stadsdeel, want hij merkte dat heel veel mensen ‘niets in de gaten hadden’, niet wisten waar ze op moesten letten en de ontwikkeling tot religieuze radicaliteit misten. Sterker nog: dat eigenlijk niemand zich met het tegengaan van radicalisering van moslimjongeren bezighield.

Ook dit plan was veelomvattend, maar één van de belangrijkste aspecten was wel dat hij deskundigen in huis wilde hebben die religieuze radicalisering konden herkennen en methodes en trainingen konden ontwikkelen om die ontwikkeling bij radicale jongeren in een vroeg stadium aan te pakken, vooral als die ontwikkeling gepaard ging met de bereidheid om geweld te gebruiken.

Haat voor de Nederlandse samenleving

‘Toen ik hier het voorjaar van 2006 als stadsdeelvoorzitter aantrad, had ik me eigenlijk helemaal niet gerealiseerd dat Bouyeri uit Slotervaart kwam,’ bekende Marcouch.
‘Net als Samir A. en een hele groep leden van de Hofstadgroep. Mohammed Bouyeri was hier in de Mondriaanbuurt geboren. Hij wandelde en fietste hier rond, was goed opgeleid en deed jarenlang vrijwilligerswerk in de buurt.’

‘Hoe kon het dat zo’n Amsterdams-Marokkaanse jongen zo radicaliseerde en een gruwelijke religieus geïnspireerde moord op een stadsgenoot kon plegen?’, vroeg Marcouch zich af. Er doemden meer vragen op zijn hoofd: ‘Hoe kwam het dat iemand als Bouyeri en veel andere jongens uit de buurt zo’n haat voor de Nederlandse samenleving ontwikkeld hadden? Wanneer is iemand eigenlijk geradicaliseerd? Hebben wij wel de kennis om zo’n ontwikkeling te kunnen signaleren, als het nu voor onze ogen weer zou gebeuren?’

Al vanaf begin jaren tachtig werd Nederland ‘overspoeld’ met Salafistische imams met radicale ideeën die vooral uit het Midden-Oosten, de Golfstaten en bijvoorbeeld Syrië kwamen, aldus Marcouch.
‘Alleen werd dat toen niet gezien omdat vrijwel niemand belangstelling voor de islam in Nederland had. Het resultaat was dat de salafisten en andere radicale islamitische groepen in Nederland nu heel goed georganiseerd zijn en de grote groep redelijke en gematigde moslims totaal niet. Nergens in de beleidsstukken in Nederland kwam je ook maar iets tegen over moslims. Volgens het officiële beleid bestonden er geen moslims en hield niemand zich bezig met radicalisering. Daarom ben ik dat beleid gaan ontwikkelen en heb bovendien een speciale functie in het leven geroepen: de anti-radicaliseringsexpert. Dat werd Hasan El Maimouni.’  

‘Volgens het officiële beleid bestonden er geen moslims en hield niemand zich bezig met radicalisering’


Nederland had ten tijde van de aanslagen van 11 september 2001 in Amerika en de moord op Theo van Gogh in 2004 nauwelijks kennis van de islam en al helemaal niet van alle radicale moslimgroeperingen die zich in ons land genesteld hadden, constateerde Marcouch. Hij vond dat gebrek aan kennis alarmerend. 

‘Toen we als Nederlandse samenleving geconfronteerd werden met terreuraanslagen op het Westen merkte ik dat men in Nederland werkelijk geen idee had van de stromingen die er binnen de islam bestaan. De zogenaamde experts die in allerlei praatprogramma’s aan tafel schoven hadden echt geen benul waarover ze het hadden. Het rapport van de AIVD, Rekrutering in Nederland voor de jihad 2002, was bijvoorbeeld echt een werkstuk op het niveau van een vmbo-leerling.’

Salafisten  

Eind 2007 meldde toenmalig minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken dat er in Nederland naar schatting tussen de 20.000 en 30.000 moslims salafist zijn of vatbaar zijn voor het salafisme, een radicale en ultra-orthodoxe soennitische stroming in de islam. Salafisten noemen zichzelf de ‘ware moslims’. De stroming is een rechtlijnige, puriteinse en compromisloze vorm van de islam die streeft naar terugkeer van de religieuze beleving in haar meest zuivere vorm, zoals in de begintijd van de profeet en zijn volgelingen.

De Salafisten staan afwijzend tegenover alles wat volgens hun eigen geloofsleer in tegenspraak is met deze zuivere vorm van de islam: andere religies, zoals het christendom en het jodendom, maar ook islamitische stromingen, als het sjiisme en het soefisme. Volgens de minister bevonden zich in Nederland circa 2500 ‘potentiële activisten’. Zij baseerde zich op een onderzoek van de AIVD.

Streng orthodox

Het Instituut voor Migratie en Etnische studies hield, in samenwerking met het CBS, een steekproef onder de Nederlandse moslimbevolking. Volgens het rapport dat september 2010 uitkwam beschouwt acht procent van de Nederlandse moslims zichzelf als streng orthodox. Onder moslims van Marokkaanse komaf is dat twaalf procent, onder de Turken vijf procent.
Dit komt overeen met 24.000 streng orthodoxe Marokkaanse moslims en 12.000 streng orthodoxe Turkse moslims. Dan zijn er nog tal van andere herkomstgroepen waar de onderzoekers zich blijkbaar niet in verdiept hadden.

‘Deze mensen geven geen hand aan iemand van het andere geslacht, luisteren niet naar niet-religieuze muziek en komen bij voorkeur niet op plekken waar mannen en vrouwen gezamenlijk aanwezig zijn,’ vertelde wetenschappelijk onderzoeker Jean Tillie in het Parool. 
‘Zij zijn groot voorstander van een theocratie en onderscheiden zich door het accepteren van geweld. Deze mensen houden er zeer onaangename opvattingen op na.’

‘Politicoloog Jean Tillie dacht niet dat er van deze streng orthodoxen een acute dreiging uitging’

De politicoloog Jean Tillie, werkzaam bij het Instituut voor Migratie en Etnische studies, dacht niet dat er van deze streng orthodoxen een acute dreiging uitging omdat de meest rabiate moslims ‘namelijk oudere, laag opgeleide, Marokkaanse mannen zonder baan’ waren. ‘Dat is een groep waarvan we weten dat die niet zo snel bommen gooit. De mensen die geweld plegen, zijn tot nu toe altijd jonge heethoofden met te veel hormonen geweest.’

Gevoelig voor radicalisering

Het is inderdaad niet erg waarschijnlijk dat deze groep ouwe mannen zelf met een rode Dirk-tas met semtex de Drie Dwaze Dagen in de Bijenkorf binnenloopt om daar de koopjesjagers en masse op te blazen, maar deze mannen hebben kinderen die ze ongetwijfeld met hun ideeën hebben besmet en radicalisering begint juist vaak op hele jonge leeftijd.  

Twee procent van de Amsterdamse moslims was ‘gevoelig’ voor radicalisering. Dat zijn er ongeveer 1445, bleek uit datzelfde onderzoek van Tillie, die met Ineke Roex en Sjef van Stiphout tweeënhalf jaar werkte aan dit onderzoek. Het betrof vooral jongeren tussen de 16 en 19 jaar. Deze groep was volgens Tillie zeer orthodox en er van overtuigd dat de islam werd bedreigd door het westen.

Lees alle andere hoofdstukken van ‘Ahmed Marcouch, een politieke biografie’.

 
 
Toon / Verberg Reacties
Als iedereen slaapt, zijn wij wakker.